Integraal blowverbod: onverbindend en heel vernietigbaar

door Ingezonden op 06/04/2011

in Decentralisatie

Steeds meer gemeenten gaan ertoe over om een blowverbod voor de hele gemeente in de Algemene Politie Verordening (APV) vast te leggen. Een enkele gemeente gaat zelfs nog verder dan alleen het gebruik van soft drugs strafbaar stellen. In de APV van bijvoorbeeld de gemeente Rijssen-Holten stuiten we op artikel 2.76 (Openlijk druggebruik): ‘Het is verboden, op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben.’

Kan dat dan zomaar? Kunnen gemeenten de Opiumwet naar hartenlust aanvullen door gedragingen te verbieden die het lokaal bestuur onwenselijk acht? Hoe zit dat ook al weer met de mogelijkheid van eigenlijke en oneigenlijke aanvulling van niet of juist wel uitputtende hogere regelgeving? Eenvoudig is dat inderdaad niet. Wat wel eenvoudig is om gewoon maar iets te verbieden en dan maar te zien of het schip ergens strandt. Schadeclaims van de gedupeerde blowers lijken immers onwaarschijnlijk. En ook al blijkt de verordening later onverbindend, het gebaar naar de bevolking is dan toch maar mooi gemaakt – zoals bij de symbolische vloekverboden die nog steeds in APV’s voorkomen (zoals in Rijssen-Holten).

Wat het integrale blowverbod betreft is er inmiddels een inschatting gemaakt van de rechtsgeldigheid door het Ministerie van Veiligheid en Justitie. In een reactie op een vraag van het Tweede Kamerlid Bouwmeester (PvdA) of een dergelijk verbod is toegelaten nadat ook Urk aangaf het gebruik van hasj en wiet integraal in de ban te willen doen, antwoordde minister Opstelten, mede namens de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het volgende: ‘Een dergelijk ruime invulling van het gebruiksverbod zal voor de bestuursrechter geen stand houden omdat dit niet proportioneel is ten opzichte van het handhaven van de openbare orde.’

Dat is het inderdaad zeker niet. Maar of het verbod (alleen) om die reden voor de bijl zal gaan betwijfelen we ten zeerste: het gaat hier toch vooral om de bovengrensproblematiek: de verhouding met de Opiumwet. In die wet wordt het ‘aanwezig hebben’ van drugs om redenen van volksgezondheid strafbaar gesteld. Volgens de wetshistorie valt hier ook het gebruik onder (TK 1974/75, 13407). De als uitputtende regeling bedoelde Opiumwet laat met andere woorden geen ruimte om op lager niveau het gebruik te verbieden op basis van het volksgezondheidsmotief. Wel kan de Opiumwet in de APV worden aangevuld vanuit een ander motief: de openbare orde. Het moet dan gaan om een gebruiksverbod op bepaalde plekken, straten of wijken om overlast tegen te gaan. Verschillende gemeenten hebben in navolging van het Amsterdamse verbod op en rond het Mercatorplein een in gebied beperkt blowverbod ingevoerd. Het motief van de openbare orde is weinig geloofwaardig als wordt betoogd dat blowen overal in de gemeente overlast veroorzaakt. Dan gaat het evident om hetzelfde motief als bij de Opiumwet: de volksgezondheid.

Wij vermoeden dat het blowverbod nieuwe stijl wel snel in rook zal opgaan. De regering hoeft daarbij niet te wachten op de rechter. We kennen voor dit soort situaties nog steeds het instrument van de spontane vernietiging.

Jan Brouwer en Jon Schilder
Zie ook: www.openbareorde.nl

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: