Internationale bescherming van mensenrechten: een noodzaak

door Redactie op 15/11/2010

in Grondrechten, Haagse vierkante kilometer

Thierry Baudet heeft in NRC Handelsblad van zaterdag 13 november een bijdrage geschreven over mensenrechten en de politieke rol van de rechter. Daarin verkondigt hij een aantal merkwaardige opvattingen over grondrechten, de politieke rol van de rechter en de verhouding tussen democratie en rechtsstaat. Deze opvattingen, die hij niet heeft meegekregen van zijn rechtenstudie aan de Universiteit van Amsterdam, mogen niet onweersproken blijven.

Klassieke grondrechten als bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst zijn van oorsprong bedoeld als afweerrechten van de burger tegen de nationale overheid. Na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog kwam men tot de overtuiging dat de bescherming van grondrechten niet uitsluitend kon worden toevertrouwd aan nationale overheden. Daarom zijn de grondrechten geïnternationaliseerd. De Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties is daarvan een voorbeeld zoals ook internationale mensenrechtenverdragen als het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten en regionaal het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens  (EVRM). Gedachte achter deze universaliteit van mensenrechten is dat mensenrechten een ieder toekomen waar ook ter wereld. Nergens ter wereld wil een mens gemarteld worden of zonder rechterlijk proces van zijn leven of vrijheid worden beroofd. Van meet af aan heeft men beseft dat de bescherming van universele mensenrechten ten koste zal gaan van nationale soevereiniteit. Kritiek op schending van mensenrechten wordt dan ook veelal door ondemocratische regiems beantwoord met een beroep op soevereiniteit. Dat is wat Baudet nu doet ten opzichte van Nederland. Wel acht hij diplomatieke activiteiten op het gebied van mensenrechten toegestaan. Hoe geloofwaardig zijn die wanneer we het eigen huis niet in orde hebben?

Ten tweede worden grondrechten of mensenrechten gekarakteriseerd als rechten die het individu en minderheden toekomen. Die kunnen zich het minst makkelijk verdedigen tegen populaire meerderheden. Immers de  Roma worden in Frankrijk niet beschermd door een parlementaire meerderheid.

Een derde kenmerk van de grondrechten is dat men ze kan handhaven tegenover de nationale overheid. Ze zijn meer dan opdrachten aan de wetgever zoals Baudet bepleit. Immers wat heeft men aan rechten, laat staan grondrechten, als men daar geen beroep op kan doen voor de rechter? Juist tegenover de eigen wetgever moet men ook beschermd kunnen worden.

Bij gebrek aan de mogelijkheid om wetten aan nationale grondrechten, te toetsen is de Nederlandse burger meer dan de bijvoorbeeld de Duitse of Franse burger afhankelijk van het EVRM en het Hof in Straatsburg (EHRM). Dat kunnen we de rechters in Straatsburg moeilijk verwijten.

De rechtsstaat wordt naast andere elementen vooral gekenmerkt door de bescherming van grondrechten en door een onafhankelijke rechter. Daaraan ontleent de rechter zijn legitimiteit. Dat lijkt Baudet te zijn vergeten wanneer hij het over het gebrek aan legitimiteit heeft van de rechter. Is de rechter en vooral het EHRM nu uitsluitend op macht uit en politiek bezig? Treedt hij in de plaats van de democratisch gekozen parlementen? Baudet wil het ons doen geloven maar gaat daarmee wat al te kort door de bocht. Politici volgen een politiek programma, een regeringsprogramma of zelfs een gedoogakkoord. Hun visie op de bescherming van mensenrechten wordt gekleurd door hun wensen om een politiek programma te realiseren. Daar worden ze ook voor gekozen. De rechter, ook die in Straatsburg, heeft zo’n politiek programma niet. Hij is in dit opzicht onpartijdig. Hij maakt ook geen wetgeving. Hij komt alleen in actie wanneer er een concreet geschil is waarbij een burger een beroep doet op zijn mensenrechten. Vanwege zijn politieke onafhankelijkheid is hij in een betere positie om de rechten van individuele burgers of minderheden te beschermen. Als Baudet dat politiek wil noemen dan moet hij wel onderkennen dat die politiek niet vergeleken kan worden met het politiek bedrijven van politici.

Vormt nu het toetsen aan fundamentele beginselen zoals grondrechten een bij uitstek politieke activiteit zoals Baudet stelt? Hij heeft gelijk wanneer hij stelt dat de betekenis van die rechten vaak niet voor altijd vaststaat en soms vaag is. Maar betekent toetsing daaraan dat de rechter daar minder toe in staat is? De rechter in Nederland is niet anders gewend dan aan vage normen te toetsen zoals redelijkheid en billijkheid, zorgvuldigheid en goede trouw. Dat maakt hem daarmee nog niet politiek. Baudet heeft een punt wanneer hij stelt dat anders dan op het nationaal niveau ‘checks and balances’ ontbreken ten opzichte van de rechter in Straatsburg. Maar die rechter gaat wel in dialoog met nationale rechters zoals de Engelse en nationale constitutionele hoven zoals in Duitsland. Zij spreken soms het EHRM in Straatsburg tegen. Daarmee ontstaat een dialoog. Helaas volgt onze nationale rechter slaafs de oordelen van het EHRM omdat wij geen constitutioneel toetsingsrecht kennen. Aan de andere kant gunt het EHRM de nationale wetgever een eigen ruimte om grondrechten te interpreteren en toetst die marginaal middels de zogenaamde ‘margin of appreciation’. Vooral als het om morele of religieuze kwesties gaat gunt hij de nationale wetgever veel ruimte. Hier slaat Baudet dan ook de plank mis wanneer hij als voorbeelden van machtsusurpatie van het EHRM het recht op leven, op abortus en euthanasie noemt. Juist bij deze kwesties houdt het EHRM rekening met het feit dat daar in bijvoorbeeld Polen anders over wordt gedacht dan in Nederland. Het EHRM hanteert dus niet zoals Baudet de stelling dat mensenrechten overal op dezelfde wijze moeten worden toegepast.

Ook ten opzichte van het concept democratie denkt Baudet wat simplistisch. Democratie betekent meer dan de helft plus één. Het betekent ook de bescherming van politieke rechten als de vrijheid van meningsuiting, het recht van vereniging en vergadering en de rechten van politieke minderheden. In dit opzicht overlapt het concept van democratie dat van de rechtsstaat en daarom spreken we liever over de democratische rechtsstaat. Overname van onze democratie door Straatsburg klinkt dan ook wat te simpel.

In de Verenigde Staten worden rechters benoemd door de President op basis van hun politieke achtergrond. Dat is waar. Maar na benoeming gaan de rechters hun eigen weg en tonen ze vaak hun politieke onafhankelijkheid. President Eisenhouwer noemde de benoeming van de republikein Earl Warren zijn grootste politieke fout. Onder de ‘conservatief’ Warren ontwikkelde zich het meest progressief-liberale Hooggerechtshof dat onder andere de segregatie van zwarten in het zuiden tot een einde bracht. De President moest zelfs federale troepen inzetten om zwarte kinderen die naar blanke scholen wilden, te beschermen. Ondanks de benoeming van conservatieve rechters door Bush en Reagan, en een republikeinse meerderheid in het hof, heeft het hof het recht  op abortus nog steeds in stand gelaten. Kortom het ligt wat ingewikkelder het hof te omschrijven als een puur politiek orgaan.

Wanneer men ervoor zou kiezen om de grondrechten te bezien als opdracht aan de wetgever en de bescherming uitsluitend over te laten aan de wetgever dan laten we de burger in de kou staan en draaien we de klok meer dan 65 jaar terug. Dat is eigenlijk wat Baudet bepleit. Dan kunnen  inderdaad Irakese en Libische asielzoekers, die kans lopen gefolterd te worden, makkelijker worden uitgezet. Dat is wel de miskenning van het recht op menselijke waardigheid als individueel mensenrecht dat een ieder toekomt en onvervreemdbaar is. Dat recht komt ook de Nederlandse burger toe. Gelukkig wordt dat nu beschermd door internationale verdragen.

Jit Peters, hoogleraar staatsrecht aan de Universiteit van Amsterdam

Lauri-Anne Kapper, studente rechten met specialisatie mensenrechten en Europa, Universiteit van Amsterdam

Deze bijdrage verscheen in verkorte vorm in de NRC van 15 november.

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 Yoeri Roosendaal 15/11/2010 om 22:01

Ik zou van de auteurs wel een toelichting willen hebben op de stelling “Helaas volgt onze nationale rechter slaafs de oordelen van het EHRM omdat wij geen constitutioneel toetsingsrecht kennen”.

Wat heeft de vermeend slaafse houding van de Nederlandse rechter te maken met het toetsingsverbod? Ik zie het verband niet. Volgens mij gaat het om de zeer restrictieve interpretatie die de Hoge Raad geeft van artikel 94 Grondwet (een regeling is alleen in strijd met het EVRM als het EHRM dat ook zou vinden; of het EHRM dat vindt, is natuurlijk koffiedik kijken). Artikel 120 Grondwet – het toetsingsverbod – is een zwaar achterhaald artikel, maar je kunt het toch bezwaarlijk overal de schuld van geven…

2 Marianne Ates 13/12/2010 om 16:42

Bij mijn omzwervingen over het internet stuitte ik op een stuk dat een interessante bijdrage zou kunnen vormen aan deze discussie over het EHRM omdat het m.i. de elders niet geraakte kern treft. Het is van de hand van publicist Louis van Overbeek, die het oorspronkelijk (recent) schreef voor het Katholiek Nieuwsblad en het eveneens op Indymedia plaatste. Hierbij:

Een pleidooi voor de dictatuur van de meerderheid

Louis van Overbeek

Sinds het aan de macht komen van het, door de proletenpartij van Wilders gedoogde, uiterst rechtse kabinet Rutte in Nederland generen toejuichers van deze ontwikkeling zich er niet meer voor onder veel nationalistische retoriek te pleiten voor het afschaffen van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en zo de rechtsstaat om zeep te helpen.

Hoewel ook onder de neoliberale kabinetten Balkenende de Nederlandse wetgever blijk gaf van minachting voor internationale verdragen, poogde men in die tijd naar buiten toe nog een zekere schijn van fatsoen op te houden. Men voerde weliswaar uit bezuinigings- en ideologische motieven wetten in – vooral op het gebied van de sociale zekerheid, maar ook waar het gold het asielrecht, het privacyrecht en het oorlogsrecht – die in strijd waren met internationale verdragen, maar veinsde zich hiervan niet bewust te zijn. In werkelijkheid wist men natuurlijk heel goed dat de kans bestond dat dit soort rammelende, en feitelijk zelfs inconstitutionele wetgeving – artikel 94 van de Grondwet bepaalt immers dat alle wetgeving aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) moet worden getoetst – ooit zou moeten worden teruggedraaid, maar ook dat het jaren kon duren voor deze Europese toetsing zou plaatsvinden, als het daarvan überhaupt ooit zou komen, en de ondeugdelijke wetgeving tot die tijd gewoon van kracht zou blijven en men er tot dat moment naar hartenlust op los kon bezuinigen.

Sinds het aantreden van het door de canaillepartij van Wilders gedoogde kabinet Rutte is het uit met deze hypocrisie en is openlijk de aanval ingezet op (vermoedelijk om mee te beginnen) het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg, dat na de gruwelen van WOII werd opgericht om te voorkomen dat de grondrechten nog langer uitsluitend zouden zijn toevertrouwd aan de nationale staten. De toejuichers van de nieuwe rechtse lente in Nederland tonen nu onbeschaamd hun ware fascistoïde gelaat. Zo ook rechtenpromovendus Baudet afgelopen zaterdag in de NRC (Opinie & Debat, 13 november), waarin hij de stelling poneert dat het Europese Hof zijn oorspronkelijke taak van ultieme controle op misbruik van staatsmacht heeft opgerekt om al het bestaande nationale recht aan zijn eigen opvattingen te toetsen, en daarmee het recht van de lidstaten van het EVRM ‘zomaar aan de hand van allerlei vage beginselen (bedoeld worden de grondrechten, LvO) door een stel buitenlandse rechters van tafel veegt’ en zo een ernstige inbreuk vormt op de democratie. Hij roept dan ook op serieus te overwegen het Hof, als het zijn koers niet drastisch wijzigt, maar op te heffen, een opvatting waarvoor ook bij een van de huidige coalitiepartners wel sympathie lijkt te bestaan.

Men zou natuurlijk hartelijk kunnen lachen om zo’n brallerig rechts, van alle realiteitszin verstoken voorstel. Ik refereerde reeds aan het feit dat in onze ‘eigen, nationale’ grondwet is vastgelegd dat internationale verdragen voorrang hebben op de nationale wetten en regels. Toch lijkt het mij goed in deze tijden van populistisch simplisme, waarin bedenkelijke uitlatingen voor electoraal succes zorgen, krachtig op dergelijke geluiden te reageren.

Het grootste probleem met het betoog van de heer Baudet, en ook merkwaardig gezien zijn juridische achtergrond, is het ontbreken daarin van enige notie van het begrip ‘rechtsstaat’ in relatie met het begrip ‘democratie’ waarover Baudet zich wél uitlaat, en wel in die zin dat daarop een inbreuk wordt gemaakt door het Europese Hof. Een concrete steen des aanstoots wordt daarbij gevormd door een uitspraak van het Hof dat Nederland een Somalische asielzoeker niet mag uitzetten ‘omdat uitzetting in de opvatting van het Hof schending van zijn recht om niet gemarteld te worden zou betekenen’ en hier dus ‘wordt ingegrepen in ons nationale immigratiebeleid, tot stand gekomen na uitvoerig publiek debat en gesanctioneerd door het democratisch gekozen parlement’.

Deze passage legt het probleem haarscherp bloot. In een rechtsstaat worden de burgers tegen de macht van de overheid beschermd door wetten, die, wanneer zich een conflict voordoet, geïnterpreteerd worden door onafhankelijke rechters. Een democratie hoeft – hoewel de begrippen democratie en rechtsstaat vaak door elkaar worden gebruikt – niet per definitie een rechtsstaat te zijn. Dat is alleen het geval in een democratische rechtsstaat, de staatsvorm waarover ook Vande Lanotte schrijft in zijn Handboek EVRM: ‘Democratie impliceert echter niet dat de mening van de meerderheid altijd dient te primeren: er dient een evenwicht gevonden te worden welke een eerlijke en passende of rechtmatige behandeling van minderheden verzekert en misbruik van de dominante positie vermijdt’( J. Vande Lanotte/Y. Haeck, Handboek EVRM, dl. 1, Antwerpen-Oxford, 2005, p. 200). Baudet beseft kennelijk niet of kan het niet schelen dat het EVRM zozeer het fundament vormt van onze rechtsstaat, dat zelfs een democratische meerderheid zich bij haar beginselen dient neer te leggen, en wil de democratische rechtstaat vervangen door een dictatuur van de meerderheid en zo de poorten van de barbarij wijd openzetten en bijvoorbeeld asielzoekers als een wrede meerderheid daarin geen probleem ziet gewoon in het land van herkomst laten martelen.

Dat een dergelijk voorstel tot opheffing van het Europese Hof afkomstig is van een jurist uit Nederland, dat met Finland het enige land van de EU is waar de nationale rechters wetten ook al niet mogen toetsen aan de grondwet en Europese controle op de nationale wetgeving dus nog veel dringender gewenst is dan elders, maar zich anderzijds met Den Haag wel wil profileren als internationale hoofdstad van het recht, maakt het allemaal nog veel zotter.

Reactie achterlaten

{ 2 trackbacks }

Vorige post:

Volgende post: