Investeringen kroonprins

door GB op 31/05/2010

in Grondrechten, Haagse vierkante kilometer

Tussen het verkiezingsgeweld door even wat klassiek staatsrecht op dit blog: ministeriële verantwoordelijkheid voor de kroonprins. Eind vorig jaar laaide discussie op over investeringen van onze kroonprins in Argentinië. De vaste kamercommissie appelleerde meteen bij de minister-president en verzocht hem in te gaan op alle aspecten die ook in Mozambique speelden.

Balkenende was dat niet van plan en antwoordde:

De investering betreft louter een privé-aangelegenheid. Voor privé-investeringen van personen, ongeacht of deze tot het Koninklijk Huis behoren of niet, geldt als uitgangspunt dat deze behoren tot de persoonlijke levenssfeer. In Nederland zijn mensen vrij te bepalen of ze hun vermogen, klein of groot, op een spaarrekening zetten, in aandelen investeren of in onroerend goed beleggen. Het feit dat aspecten van dergelijke investeringen openbaar zijn of kunnen worden op grond van wettelijke bepalingen of anderszins, doet niet af aan dit privé-karakter en houdt niet in dat het openbaar belang wordt geraakt.

Met andere woorden: prinses Amalia spaart ook, aldus Maxima. En de minister-president wenst niet verantwoordelijk te worden gehouden voor de keuze van de spaarrekening. ‘Openbaar belang’ is tenslotte iets anders dan ‘openbaar’. Daar kwam Balkenende natuurlijk niet mee weg. Dat is reeds op dit blog gesignaleerd. Maar hoe is het verder gegaan? De stand van zaken:

Balkenende kreeg een links-progressief blok over zich heen, bestaande uit een serie vragen van de PvdA, de SP, GroenLinks en D66. Zijn alle investeringen van het Koninklijk Huis privé investeringen, of alleen deze? Wanneer wordt het openbaar belang precies geraakt? Er zijn toch altijd wel uitstralingseffecten van dit soort investeringen? Waarom bij Mozambique wel en hier niet?

Bovendien, privé of niet: ongelukkige privébeslissingen van leden van het Koninklijk Huis moeten worden voorkomen. ‘Dergelijke kwesties raken zonder uitzondering publiek bekend en raken dan onvermijdelijk het koninklijk gezag en de kwaliteit van de regering.’ Onder die bezorgdheid voor de Oranjes werd natuurlijk ook een stevige politieke dreun uitgedeeld: is het niet onhandig dat een kroonprins loopt te investeren in tijden van economische crisis, en: hoe kan het toch dat de minister-president er telkens niet in slaagt om te voorkomen dat het koninkrlijk huis op ‘vervelende wijze’ in de publiciteit komt? Waar is de regie? Enz.

De vragen werden ingezonden in maart 2010. Op 7 april berichtte Balkenende dat hij meer tijd nodig had. En op 21 april schiet Balkenende dan maar de vluchtheuvel van de Raad van State op. Zij moeten eerst maar adviseren hoe het zit.

Balkenende laat nog wel weten dat het wat hem betreft om botsende bepalingen uit de Grondwet gaat. Er volgt weliswaar een afgeleide ministeriele verantwoordelijkheid voor de kroonprins uit artikel 42, maar artikel 10 maakt geen uitzondering voor hem. Sterker: de ministeriele verantwoordelijkheid houdt mede de bescherming van die persoonlijke levenssfeer in. Dan ontstaan er problemen met artikel 68 Grondwet:

Op grond van artikel 68 van diezelfde Grondwet zou ik in beginsel naar aanleiding van de vragen als gesteld door uw commissie bij brief van 1 april jl. inlichtingen dienen te verschaffen over hetgeen, zoals hierboven betoogd, behoort tot de persoonlijke levenssfeer, en evenzeer op basis van de Grondwet, door mij beschermd dient te worden.

Over deze ‘spanning in constitutionele afwegingen’ moet de Raad van State eerst maar wat zeggen. Bovendien zijn de verkiezingen dan wellicht ook voorbij. Tussendoor heeft Balkenende wel erkend dat hij toch verantwoordelijk is, op grond van artikel 42 Grondwet. De staatsrechtelijke verankering van de afgeleide ministeriele verantwoordelijkheid is daarmee weer een stapje verder.

Wat vinden we trouwens van de redenering? Een minister die juist omdat hij verantwoordelijk is geen antwoorden wil geven?

1 Pieter van Tilburg 31/05/2010 om 13:31

Fraai is deze gang van zaken niet te noemen. Het opmerkelijk is namelijk dat het advies van de Raad, waarnaar Balkenende verwijst in de brief aan de Raad, aan dit soort problematiek in algemene zin wel aandacht heeft besteed:

” Het verschil ligt hier in de ruimere privé-sfeer dan die welke voor de Koning geldt. Ook hier is anticiperend beleid van de minister-president vereist waar handelingen van deze personen het openbaar belang zullen raken. Daarbij moet steeds weer vooraf worden afgewogen of een activiteit in de privé-sfeer ligt. Is dat het geval dan is er geen reden voor verdere ministeriële betrokkenheid”

en

“Uiteraard hebben ook deze leden behoefte aan een privé-leven. Een algemene regel ter bepaling van de grens tussen dit privé-leven en het openbaar belang is niet te geven. Het betreft een beleidskeuze van de regering in het licht van de omstandigheden. Daarom is regelmatig overleg tussen de ministerpresident en deze leden van groot belang.(zie noot 6) Ondanks het ontbreken van een (grond)wettelijke bepaling als artikel 42, tweede lid, van de Grondwet wijst de Raad erop dat ook hier de minister-president verantwoordelijk is voor de beoordeling van de vraag of sprake is van optreden in de privé-sfeer of niet. Hij beslist of hijzelf of namens hem de RVD voorlichting geeft of niet”.

Balkenende had dus toch kunnen voorzien in beleid om aan te geven wat nu wel en wat nu niet tot zijn afgeleide verantwoordelijkheid zou behoren? Nu moet de Raad maar weer advies gaan geven over hoe hun eerder advies ingevuld en uitgelegd moet worden?
Misschien dat de regering en de Raad van State nu eens in gaan zien wat een koninklijke moeras (en staatsrechtelijke gedrocht) de afgeleide ministeriële verantwoordelijkheid aan het worden is.

{ 2 trackbacks }

Vorige post:

Volgende post: