Is het Benelux-Comité de vos nu echt te slim af? Deel II

door Ingezonden op 17/03/2014

in Europa, Haagse vierkante kilometer

Post image for Is het Benelux-Comité de vos nu echt te slim af? Deel II

In het licht van een drietal recente ontwikkelingen in de zaak rond de overlast gevende Friese vossen, kom ik graag kort op mijn blog van 20 juni 2012 terug. Achtereenvolgens laat ik mijn licht schijnen op de uitspraak van het Benelux Hof, de daaropvolgende uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) en tot slot een brutale doch slimme nieuwe zet van het Comité van Ministers (CvM) in dit schaakspel. Wederom stel ik hierbij als breder thema aan de orde dat het CvM meent middels ministeriële beschikkingen, waarbij steun van de respectievelijke parlementen niet benodigd is, een verdrag waaraan deze parlementen wél hun goedkeuring hebben verleend (Art. 91 Gw), buiten werking te kunnen stellen. Dit past in de lijn van een uitvoerende macht die steeds meer meent zijn eigen gang te kunnen gaan en ad hoc de op zichzelf toepasselijke regels kan aanpassen. Het eind van het liedje lijkt echter dat de Benelux-Overeenkomst de Nederlandse regering wat die lijn betreft gunstig gezind is.

In mijn vorige blog, besprak ik de poging van het CvM om tijdens een lopende zaak de regels van het spel te wijzigen door middel van een beschikking. Deze beschikking 2012/3 (24 april 2012) beoogde de bestrijding van onder meer vossen geheel buiten de reikwijdte te plaatsen van de beschikking die de middelen toegestaan voor de jacht opsomt (de ‘Beschikking middelen’), en daarmee dus ook buiten de reikwijdte van de Benelux-Overeenkomst op het Gebied van de Vogelbescherming en de Jacht (‘het verdrag’). De Advocaat-Generaal Langemeijer betoogde daarop dat een dergelijk onderscheid tussen jacht met het oog op bestrijding en jacht anderszins in strijd was met de verdragstekst, die luidt (Artikel 4 lid 2): “Bij de jacht op de onderscheiden wildsoorten mag slechts gebruik worden gemaakt van nader aan te wijzen wapens en munitie, alsmede van nader aan te wijzen andere middelen, tuigen en jachtmethoden, overeenkomstig de procedure aangegeven in lid 4.” Een onderscheid gebaseerd op het doel van jacht komt in dit verdragsartikel noch elders in het verdrag voor.

Wat vond het Benelux Hof hiervan? Dit hof was al weer een jaar geleden aan zet, op 11 maart 2013. Allereerst stelt het Hof vast dat: “Uit de memorie van toelichting [bij het verdrag] moet afgeleid worden dat het begrip “jacht” in artikel 4, tweede lid, ook omvat de jacht op een als “overig wild” aangewezen diersoort [i.e. de vos] met het oog op de bestrijding van schade. Gezien het verband tussen de Beschikking middelen en de artikelen 1 en 4 van de Benelux Overeenkomst geldt dat ook voor de Beschikking middelen.” Het wijst er daarbij op dat het jagen op vossen altijd al het oogmerk van schadebestrijding heeft gehad. Het enige rechtsgevolg van de nieuwe beschikking 2012/3 van het CvM is volgens het Hof dan ook dat de ‘Beschikking middelen’ met ingang van 24 april 2012 niet langer van toepassing is op de bestrijding van wild, maar alleen nog op chasse pour la chasse. Deze wijze van beantwoording sluit aan bij de wijze waarop de ABRvS de prejudiciële vraag had gesteld. Het Hof vermijdt de vraag te beantwoorden of vanaf genoemde datum het vaststellen van middelen daarmee vrijstaat aan elk der lidstaten, dat zij daartoe gezamenlijk middelen kunnen aanwijzen bij beschikking, of dat er, met de AG Langemeijer, juist helemaal geen middelen meer openstaan ter bestrijding van wild.

Wat deed de ABRvS met deze uitspraak? In het geschil over de Friese vossen beperkt zij zich tot de situatie voorafgaand aan het geschil en komt dus aan de gevolgen van beschikking 2012/3 niet toe. Er speelde echter een vergelijkbare zaak in de provincie Noord-Holland, en daarin gaat de ABRvS onverbloemd mee met de AG van het Benelux Hof (Uitspraak 201012263/1/A3 van 4 december 2013): “Dat het toepassingsbereik van de Beschikking middelen in vorenbedoelde zin is beperkt, brengt met zich dat met betrekking tot de jacht in het kader van de bestrijding van schade géén middelen zijn aangewezen.” De ABRvS komt tot de conclusie dat het CvM “niet het toepassingsgebied van de Benelux-Overeenkomst zelf kan beperken” en aldus “dat ook na 24 april 2012 het doden van vossen met kunstmatige lichtbronnen op grond van artikel 4, tweede lid, van de Benelux-Overeenkomst niet is toegestaan.” Ook deze uitspraak laat echter in het midden of het überhaupt toelaatbaar is om bij beschikking een aparte lijst met middelen aan te leggen voor de bestrijdings-jacht.

Hiermee kwam het CvM weer aanzet. En dat blijkt bij nader inzien te kunnen beschikken over een verdragsbepaling die tot dusver buiten beschouwing was gebleven, maar die best wel eens cruciaal zou kunnen zijn voor de uitkomst van dit geschil ten faveure van de Nederlandse overheid. Artikel 13 van het verdrag voorziet namelijk in de mogelijkheid voor het CvM om bij beschikking van het verdrag af te wijken in “het belang van de wetenschap, van het natuurbeheer of tot voorkoming van schade”. Een aparte beschikking die gelimiteerd bestrijdingsmiddelen opsomt en eventueel strijdig zou zijn met Artikel 4 is dan niet langer nodig. Bij beschikking 2014/3 (5 maart 2014) besluit het CvM nu dan ook om “voor zover dit nodig is … tot voorkoming van schade” de verdragsartikelen 2, 3 en 4 van het verdrag geheel buiten werking te stellen, zodat nog slecht de nationale wettelijke bepalingen van toepassing zijn.

Is hier nog een speld tussen te krijgen? Op het eerste gezicht lijkt het een lastig verhaal te gaan worden voor de Faunabescherming. Wellicht zal de bewijslast voor de Provincie Friesland om aan te tonen dat in elk individueel geval daadwerkelijk sprake is van de noodzaak om schade te voorkomen wat toenemen, maar dat zal meestal niet al te lastig zijn.

Meer in zijn algemeenheid rijst de vraag wat deze Benelux-Overeenkomst eigenlijk nog waard is? Valt niet bijna alle jacht in Nederland te scharen onder natuurbeheer of voorkoming van schade? Hoe zat het ook al weer met het verdragsrechtelijke effectiviteitsbeginsel? Toch bevalt deze oplossing me vanuit het oogpunt van de rule of law beter dan het eerdere geknutsel met door het verdrag niet erkende onderscheiden, hangende de procedure. Het was fraaier geweest als de minister Artikel 13 eerder ontdekt had.

Tim Staal
Promovendus, Amsterdam Center for International Law

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 Marcel Vossestein 19/04/2014 om 20:13

Uitstekende beschouwing. Helaas is niet de enige lepe wijze, waarmee de jachtwereld zich poogt in stand te houden.

In mijn opvolgende nota’s ben ik tot een totaal andere grondslag van ons natuurbeleid gekomen. Niet langer natuurdieren uitschakelen, maar juist inschakelen.

Omgerekend naar de uit te tuigen compensatie via georganiseerd grazen, kost het uitschakelen van de natuurgrazers feitelijk tien keer meer dan de jachtrechten opbrengen.

Het is opmerkelijk dat het Europees Grondrecht om jacht als grondeigenaar te weigeren in Nederland geen enkele aandacht kreeg. En dat terwijl het Europese Hof van Justitie daar op 28 juni 2012 toe besloot. In Duitsland leidt het tot heftige debatten. En ook heuse acties van grondeigenare
http://www.zwangsbejagung-ade.de/

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: