Jit Peters: ‘Openbaarheid mag van Donner niet veel kosten’

door Ingezonden op 16/06/2011

in Haagse vierkante kilometer

Minister Donner heeft mede naar aanleiding van zijn toespraak op de jaarlijkse Dag van de persvrijheid op 31 mei 2011 een brief naar de Tweede Kamer gestuurd. Hierin zet hij zijn positie ten aanzien van openbaarheid uiteen. Kort samengevat komt zijn opvatting er op neer dat Nederland het voortreffelijk doet met betrekking tot openbaarheid. Het probleem schuilt er eerder in dat er misbruik gemaakt kan worden van de Wet openbaarheid van bestuur en daar wil hij wel wat aan doen. Voor diegenen die een grotere transparantie van de overheid nastreven een zeer teleurstellende brief.

De brief begint met een zeer zelfgenoegzame passage hoe hoog Nederland wel niet scoort in vergelijking met andere landen wat betreft ‘Open Government’. Daarmee is de toon gezet. Wel geeft Donner aan hoe belangrijk het is dat de burger voldoende informatie heeft om te kunnen participeren aan het werk van de overheid en om het bestuur adequaat te kunnen controleren en eventuele misstanden aan de kaak te kunnen stellen. Deze passage geeft de burger moed. Maar direct daarop volgt dat weliswaar het behandelen van Wob-verzoeken tot het reguliere werk van bestuursorganen hoort maar dat het streven van openbaarheid niet ten koste mag gaan van de effectiviteit van het openbare bestuur. Zorgvuldige besluitvorming door bestuurders is gebaat bij vertrouwelijkheid. Waarom dan wel? Dan komt de aap uit de mouw: om politisering en besluitvorming op basis van de waan van de dag te voorkomen.

Wat stelt Donner hierbij zich voor? Waar is hij bang voor? Tot nu toe gingen we ervan uit dat openheid van besluitvorming de kwaliteit van besluitvorming en de controle op de overheid ten goede zou komen. Met deze argumenten tegen openbaarheid kan men ook een pleidooi houden om de besluitvorming in de Tweede Kamer voortaan in beslotenheid plaatst te laten vinden. Immers daar vind meer politisering plaats dan binnen de ambtelijke dienst. De Tweede Kamer wordt er voortdurend van beschuldigd dat het de waan van de dag volgt. Argumenten die niet zonder gevaar zijn voor de democratische besluitvorming. Daaronder reken ik ook de openbaarheid van bestuur. Democratie is meer dan het tellen van Kamerzetels.

Al eerder in genoemde toespraak gaf Donner, Bismarck citerend, aan dat het beter is niet te weten hoe worstjes gemaakt worden. Alsof de consumentenbescherming heeft stilgestaan sedert Bismarck.

Bovendien moet volgens Donner als randvoorwaarde voor openbaarheid gelden een overheid met een verminderde capaciteit van het ambtenarenapparaat. Het kabinet streeft immers naar een compacte overheid met minder ambtenaren. Daarom vormt aanpassing van de openbaarheid richting meer openbaarheid geen prioriteit voor Donner. Gaat dit ook gelden voor beantwoording van Kamervragen en dienstverlening aan de burger?

Nederland heeft een actieve rol gespeeld bij de totstandkoming van het verdrag van Tromso, een verdrag dat in het kader van de Raad van Europa is gesloten en uitbreiding van openbaarheid beoogt te bewerkstelligen binnen Europa. Nederland draalt echter met ondertekening en Donner stelt nu openlijk dat ondertekening geen prioriteit heeft. Immers ondertekening zou volgens Donner weinig betekenis hebben voor Nederland. Dit verdrag heeft wel degelijk betekenis voor uitbreiding van openbaarheid en de uitzonderingsgronden. Donner stelt immers ook in zijn brief dat alle bijzondere wetten met regels over openbaarheid getoetst moeten worden aan het verdrag. Dat is een aanzienlijk klus voor de ambtenaren. Dit past niet bij het streven naar een compacte overheid. Deze reden lijkt niet logisch ofwel het verdrag stelt niet veel voor en dan is aanpassing daaraan een klein klusje of het stelt wel wat voor en kost veel aanpassingen.

Het grootste deel van de brief van Donner gaat over het misbruik dat gemaakt kan worden van de Wet openbaarheid van bestuur. Qua omvang blijkt uit onderzoek dat de problematiek van het misbruik wel meevalt. Bovendien welke wet is zonder misbruik? Toch wil Donner hier juist wel wat aan doen. Dan gaat het blijkbaar wel om een prioriteit. Het gaat dan immers om werklastvermindering van ambtenaren. Zo zou men financieel middels dwangsommen kunnen profiteren wanneer de overheid niet op tijd beslist op verzoeken. Om die reden was de termijn om te beslissen al verlengd maar dit werkt blijkbaar nog niet voldoende. Ook het frustreren of vertragen van een bestuursorgaan door soms een enkele persoon verdient bestrijding. De wet zal worden aangepast om oneigenlijke verzoeken te kunnen afwijzen. Ook omvangrijke Wob-verzoeken vormen volgens de minister een probleem. Het gaat dan niet om de inhoud van het verzoek maar om de tijdsinvestering die het verzoek vraagt. Daarop moeten verzoeken ook beoordeeld worden in een tijd van grotere efficiency en slinkende capaciteit. Men zou er ook voor kunnen kiezen om informatie middels een goed data systeem makkelijker toegankelijk te maken voor de burger. Maar dat vergt een andere prioriteitstelling.

Jit Peters
Emeritus Hoogleraar staatsrecht
Universiteit Amsterdam

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: