Kansen voor Halsema? II

door GB op 21/05/2010

in Haagse vierkante kilometer, Recensies

De kansen voor het wetsvoorstel Halsema kunnen ook op een abstracter niveau bekeken worden, namelijk vanuit de vraag: waarom zouden politici ‘macht’ uit handen geven, in dit geval aan de rechter. Hoe ver die macht zich uitstrekt, is natuurlijk voorwerp van discussie, maar in ieder geval doet de wetgever vrijwillig afstand van de situatie dat hij voor wetgeving als enige de betekenis van de Grondwet bepaalt.

Het is niet onmiddelijk voor de hand liggend voor een politicus om dat te willen. Dat blijkt ook wel, want grote partijen zijn de grootste tegenstanders van het voorstel Halsema. Kleine (oppositie-)partijen, die het niet echt van parlementaire meerderheden moeten hebben, zijn veel sneller voor. Dat geldt (in de Tweede Kamer) van SP tot SGP. De vraag is dan ook: waarom zouden politici het willen? Daarover gaat het boek Towards Juristocray van Ran Hirschl.

Met ‘towards juristocray’ bedoelt Hirschl het ontwikkelen van een geschreven grondrechtencatalogus en het betrekken van de rechter bij de implementatie ervan. Die beweging heeft zich de laatste jaren in meer dan 80 landen voorgedaan. Er vielen verschillende aanleidingen aan te wijzen. Allereerst natuurlijk de reconstructie van de rechtsstaat na de Tweede Wereldoorlog. Dat geldt voor Japan, Italië, Duitsland enz. Ten tweede is constitutionele toetsing voor een aantal landen onderdeel geweest van het dekolonisatieproces. Dat geldt voor India, Ghana, Nigeria, Kenia en zo verder. Ten derde heeft het zich voorgedaan bij de meer algemene transitie van een autoritair regime naar een democratie. Dat geldt voor Zuid-Afrika, Griekenland, Spanje, enz. In de vierde plaats hebben de Oostblok-landen vormen van constitiutionele toetsing ingevoerd bij hun overgang naar het kapitalisme. In de vijfde plaats hebben sommige landen, zoals Denemarken Zweden en het Verenigd-Koninkrijk, de rechter een rol gegeven bij de grondrechtenbescherming door internationale normen (i.c. die uit het EVRM) te incorporeren. En dan nog blijft er een zesde ‘restgroep’ over, waarin politici ‘zomaar’ macht overgedragen hebben aan de rechter. Dat geldt voor Mexico, Nieuw-Zeeland, Israël en Canada.

Naar die laatste drie landen (en naar Zuid-Afrika) doet Hirschl verder onderzoek, op zoek naar de politieke drijfveren. Die zijn velerlei. Soms is politiek zo incompetent dat de behoefte aan meer rechterlijke inmening groeit. De wens voor juristocratie is dan eigenlijk de roep om de sterke man. Een behoefte aan rechters kan ook gevoed worden door de economische wens om meer internationale kredietwaardigheid te verkrijgen. Landen met een stevig aan het recht op eigendom toetsende rechter schijnen daar namelijk economisch profijt van te hebben, omdat investeerders meer durven. Soms sturen lobbyisten aan op grondwettelijke verankering van bepaalde deelbelangen. Verdere motieven voor politici om kwestes door te schuiven kunnen de ‘no-win-dilemma’s’ zijn. Politici hebben geen belang bij een sterke positie op een bepaald onderwerp (bijvoorbeeld omdat hun achterban daar verdeeld over denkt) en dus schuiven ze hete aardappel met liefde door naar de rechter, waarover ze dan ritueel kunnen klagen ten behoeve van een deel van de achterban. Zonder er daadwerkelijk wat aan te doen, want anders komt het andere deel van de achterban in opstand. Het is dus helemaal niet ondenkbaar dat een politieke partij belang heeft bij een stevigere rol van de rechter. Zeker niet als die partij denkt meer te profiteren van de beslissingen van de rechter dan zijn tegenstander. En zeker ook, als de partij aan ziet komen voor langere tijd macht te verliezen.

Het brengt Hirschl tot de hegemonic preservation thesis: de beweging naar juristocray doet zich voor wanneer een politieke elite zich door populisme bedreigd voelt, wanneer de economische elite vertrouwt dat de vrije markt beter af is met rechterlijke interventie en wanneer de juridische elite bereid is om inderdaad een grotere rol te gaan spelen. Van deze joint effort tussen de elite’s is meer te verwachten wanneer de rechterlijke macht in hoog aanzien staat, inhoudelijk de opvattingen van de politieke elite spiegelt en wanneer er beïnvloeding mogelijk is via het benoemingsproces.

Voor deze genuanceerde hypothese voert Hirschl in de rest van zijn boek bewijsmateriaal aan vanuit de Israelische, Canadese, Nieuw-Zeelandse en Zuid-Afrikaanse context. Zou die echter ook in Nederland opgaan?

Ook hier klotst het populisme steeds hoger tegen de plinten en kunnen de huidige politieke elites er – bijvoorbeeld – steeds minder vanuit gaan dat zij de grenzen van de godsdienstvrijheid bepalen. Toen Wilders hoog in de peiling stond realiseerde men zich bij Matthijs van Nieuwkerk aan tafel dat het de Straatsburgse rechter zal moeten zijn die een wettelijk hoofddoekverbod tegenhoudt. Toen Wilders hoog scoorde bij de Europese Verkiezingen riep Ter Horst in ieder geval al op tot een ‘opstand van de elite‘. Daar hoeft alleen nog maar het besef bij te komen dat de rechterlijke macht bij uitstek een bolwerk van die elite is.  

In het algemeen kan van het huidige politieke landschap niet gezegd worden dat partijen met veel zekerheid kunnen inschatten of ze de volgende periode nog wel aan de knoppen zitten. Ook dat zou bevorderlijk zijn voor de neiging om een deel van de denkbeelden dan maar elders te verschansen. Bovendien lijkt tegenwoordig alles wat de internationale kredietwaardigheid bevordert uit de kast te worden getrokken, dus dit kan er dan ook nog wel bij.

Het zou dus zomaar kunnen.

We hebben tenslotte al ervaring met de hegemonic preservation thesis. Tenminste, als Freek Bruinsma gelijk heeft met zijn vermoeden dat Lindenbaum/Cohen in 1919 een reactie was op de invoering van het algemeen kiesrecht. De CHU-voorman, jhr. Alexander de Savorin Lohman, betitelde dat laatste niet als ideaal maar als een politieke noodzakelijkheid. Zijn zoon, jhr. Witius de Savorin Lohman was voorzitter in de Lindenbaum/Cohen-zaak. ‘Een interessante onderzoeksvraag: wat is er op Kerstavond 1918 in huize De Savorin Lohman besproken? Ik heb een vermoeden dat ik niet kan bewijzen, maar ik weet wel dat het resultaat een cordon sanitaire tegen toenemende volksinvloed was.’ (NJB 2009/442)

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: