Klassenfoto versus Offerfeest

door JAdB op 10/07/2017

in Bestuursrecht, Rechtspraak, Uncategorized

De “klassenfoto-zaak” is er zo eentje in de categorie “Zwarte Piet”. Kokend bloed gegarandeerd dus. Twee kinderen vieren het Offerfeest, missen daardoor de klassenfoto, de ouders balen ervan, en stellen dat er is gediscrimineerd op grond van godsdienst. De klassenfoto had immers ook op een ander moment kunnen worden genomen. De kantonrechter is het daarmee eens en veroordeelt de school tot betaling van € 500,-. Een juiste beslissing?

In deze zaak spelen twee vragen: 1. is er gediscrimineerd? 2. zo ja, bestond daarvoor voldoende rechtvaardiging? Ten aanzien van beide vragen heeft de school stellingen naar voren gebracht die als onvoldoende onderbouwd terzijde worden geschoven door de rechter. Ik bespreek beide vragen hieronder.

De Algemene wet gelijke behandeling verbiedt indirecte discriminatie. Dat is het maken van onderscheid door middel van een “neutrale” maatregel die een bepaalde groep in het bijzonder treft. Hier werd een maatregel getroffen die moslims in het bijzonder zou treffen: door de klassenfoto op de dag van het Offerfeest (24 september 2015) te plannen, werd het voor deze groep onmogelijk of zeer moeilijk gemaakt om op de foto te staan. De school probeert aan te tonen dat van enige ongelijke behandeling uiteindelijk geen sprake was. In de eerste plaats stelt zij dat geen conflict met het Offerfeest bestond, omdat andere leerlingen, die ook verlof hadden op de dag van de klassenfoto, wél aanwezig waren bij het fotomoment (er wordt niet gezegd of die leerlingen ook moslims waren). De ouders betwistten die stelling, en aangezien de school niet met bewijs op de proppen kwam, passeert de rechter dit verweer. De school stelt in de tweede plaats dat van discriminatie geen sprake was omdat er een alternatief werd geboden: er is later door een amateurfotograaf alsnog een klassenfoto gemaakt, die in plaats van de “officiële” klassenfoto is opgehangen en die aan de ouders is aangeboden. Die stelling werd ook betwist en was niet nader onderbouwd, dus daaraan wordt ook voorbijgegaan. Bij de behandeling van de “discriminatievraag” bespreekt de rechter overigens ook de stelling van de school dat de afspraak met de fotograaf niet meer verzet kon worden (eveneens onvoldoende onderbouwd). Dat is curieus: zelfs als de afspraak niet meer verzet kon worden, zou dat niet afdoen aan de aanwezigheid van discriminatie. Wel zou het van belang kunnen zijn in het kader van de vraag naar een eventuele rechtvaardiging.

Van een dergelijke rechtvaardiging is volgens de kantonrechter geen sprake. Besproken wordt het betoog van de school dat de kinderen om esthetische redenen kort na de zomervakantie op de foto moesten. De kantonrechter overweegt: “Voor zover de Stichting bedoeld heeft te stellen dat die omstandigheid het gemaakte onderscheid rechtvaardigt, volgt de kantonrechter de Stichting daarin niet, reeds omdat het niet noodzakelijk is om de schoolfotograaf juist op de dag van het Offerfeest op school te laten komen, om met bedoelde belangen rekening te kunnen houden.”

De school heeft derhalve onrechtmatig gehandeld en de eisers kunnen aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade. Die schade wordt door de kantonrechter begroot op € 250,- per kind (er was € 5.000,- geëist). Het belang waarop de school inbreuk heeft gemaakt is immers niet groot. Het gaat niet om de toegang tot het onderwijs, maar om het kunnen gebruik maken van faciliteiten die aan het onderwijs gelieerd zijn.

Bij lezing van het vonnis dringt de vraag zich op: heeft de school laks geprocedeerd of – nog erger – verkoopt zij kletskoek in de vorm van niet onderbouwde stellingen? Het moet toch niet zo moeilijk zijn om aan te tonen dat bijvoorbeeld de alternatieve klassenfoto in de klas hangt? Of dat er geprobeerd is de afspraak met de fotograaf te verzetten? Door niet met makkelijk te leveren bewijs te komen krijgt de school behoorlijk de schijn tegen.

De school lijkt verder ook geen stevig verweer gevoerd te hebben ten aanzien van de aanwezigheid van een objectieve rechtvaardiging van de ongelijke behandeling. De rechter moet immers een verweer op dat punt in een tamelijk onzinnige stelling (de kinderen staan kort na de vakantie mooi op de foto) van de school lezen. Dat is wellicht een gemiste kans. Relevant in deze zaak lijkt mij dat de datum van de klassenfoto aan het begin van het schooljaar bekend was. Nu is dat niet heel ver voor het Offerfeest (24 september 2015) maar de ouders hadden wel al eerder hun bezwaren tegen de datum bekend kunnen maken. Dat doen zij niet: het conflict met de datum van het Offerfeest (en het kennelijk verplichte ochtendgebed) komt, zo leid ik uit de uitspraak af, pas aan het licht op het moment dat de ouders verlof aanvragen voor hun kinderen ten behoeve van de viering van het Offerfeest, twee weken voor de datum van de klassenfoto.

De kantonrechter verwijt de school niet dat zij in eerste instantie een tijdstip voor de klassenfoto heeft gekozen dat conflicteerde met het ochtendgebed op het Offerfeest. Dat lijkt me terecht. Zulk een verwijt zou immers inhouden dat van scholen verwacht wordt dat zij bekend zijn met allerhande religieuze verplichtingen. Bovendien is het veel makkelijker om met een kliksysteem te werken. Scholen moeten op tijd hun planning bekendmaken. Het is dan aan de ouders om tijdig aan te geven of een gekozen tijdstip voor een bepaalde activiteit onhandig is in verband met religieuze verplichtingen. Zodoende heeft de school voldoende tijd om aan een oplossing te werken. Is men te laat met het “klikken” dan heeft de school een goede reden om de planning niet aan te passen. Dat kost immers te veel tijd en moeite.

De kantonrechter vindt een termijn van twee weken voor dergelijk “klikken” kennelijk prima. Daarmee legt hij wel behoorlijk wat druk op de school. Zij moet op redelijk korte termijn ervoor proberen te zorgen dat de met de fotograaf gesloten overeenkomst wordt aangepast, een nieuwe datum voor de foto vinden, en die datum communiceren met alle betrokkenen, waarvan een aantal gegarandeerd zullen morren. Dat is geen werk van Heracles, maar het moet toch gebeuren en zoveel tijd heeft men in het primair onderwijs ook weer niet over. Het belang dat met die extra inspanning gediend is, is bovendien behoorlijk gering, zoals de kantonrechter ook opmerkt bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding. Zouden deze omstandigheden niet een objectieve rechtvaardiging voor de handelwijze van de school kunnen opleveren?

{ 13 reacties… read them below or add one }

1 Rove (not Karl) 10/07/2017 om 18:53

Goed bedacht en leuk beschreven! Maar wat is nou precies het antwoord op de in de eerste alinea gestelde vraag?

2 E. 11/07/2017 om 12:53

De school prikt een datum voor fotograaf.
De ouders kunnen ‘klikken’.
De school kan daar dan eventueel gehoor geven aan het ‘klikken’.

Dat is heel simpel, toch? Maar dat eventueel gehoor of geen gehoor geven, die beslissing is gemaakt door de school. De uiteindelijke beslissing (geen gehoor) is door de rechter afgekeurd.

Maar, bij de beslissing komen veel zaken kijken:
Tijd tussen bekendmaking datum en ‘klikken’ ouders (als er überhaupt geklikt is)
Afweging reden voor klikken: godsdienstige versus tandartsbezoek versus iets anders, hoe zwaar weegt dit
Nadelige gevolgen van afwezigheid schoolactiviteit (in dit geval fotograaf; had ook diploma-uitreiking kunnen zijn, bijvoorbeeld).

Wij weten niet wat de school precies als verweer naar voren heeft gebracht. Helaas.

E.

3 Shadow1100 11/07/2017 om 17:17

Het is bijzonder kortzichtig van mevrouw de rechter dat zij niet op de hoogte is van de regels die de moslims zichzelf opleggen want,

het is niet toegestaan om een afbeelding op te hangen, noch om een afbeelding van enig schepsel dat een ziel heeft te behouden. Het is verplicht om zulke afbeeldingen te vernietigen. Dit vanwege hetgeen de profeet tegen alie heeft gezegd:
“Laat geen enkele afbeelding, behalve het gezicht eraf te halen.”

Het is tevens vastgesteld in de hadieth van jaabir dat de profeet het hebben van afbeeldingen in huizen verbood.
Vandaar, dat alle afbeeldingen die bedoelt zijn ter herinnering, in stukjes gescheurd of verbrand moeten worden.

Desondanks, mag men afbeeldingen die men uit noodzaak in bezit dient te hebben, zoals voor een officiële identificatie bewijs (paspoort etc) enzovoorts, in bezit hebben.

Dus mevrouw “moeder van de slachtoffers” moet het geld terugstorten of, zoals meneer Wilders van de PVV graag wil, gebruiken voor een enkeltje naar een moslimland.

4 Willem van den Hagemot 14/07/2017 om 10:08

Artikel 1,sub c, over indirecte discriminatie van de wet gelijke behandeling is véél te vergaand. Alles wat afwijkt kan ‘in het bijzonder getroffen’ worden door ‘iets’ wat ‘neutraal lijkt’. In een gemèleerde groep kan zelfs iedereen relatief getroffen zijn. Maar de realiteit is dat vrijwel altijd degene die afwijkt z’n eigen hoedanigheden heeft, waardoor dat afwijkende van hemzelf uit de aard van de afwijking vooral hemzelf treft.
Zo ook in dit geval. Het gewraakte gedrag is niet veroorzaakt omdat de school een geloofsuiting onmogelijk maakt, maar omdat een geloofsuiting de schoolactiviteit onmogelijk maakt. In de kern is het discriminerende effect dus niet bij de school, maar bij de afwijkenden, die om te beginnen ervoor kiezen om niet naar een school te gaan van hun eigen specifieke voorkeur en discriminatie.

Discriminatie-idioterie
Hierbij moeten we over de term discriminatie niet te krampachtig doen. De wet lijkt hier toch echt wel behoorlijk door te slaan. Elk mens discrimineert uit motieven van vrijheid voorkeur en goedgunstigheid, en discriminatie is mitsdien een grondrecht van eigen vrijheid en gunst bewijzen aan wie men wil. Discriminatie was daarom dus vroeger ook een gelijk zijn VOOR DE WET. Zo was het in 1801: Alle Leden der Maatschappij zijn gelijk voor de Wet zonder eenig onderscheid van rang of geboorte. en in 1805: Het groote beginsel der Maatschappelijke Vrijheid bestaat daarin, dat de Wet gelijke Regten verzekere en gelijke Pligten oplegge aan alle Burgers, zonder onderscheid van rang of geboorte. In 1848 staat het er niet meer zo nauwkeurig in, maar kun je uit de context halen dat deze bepaling uit de aard van het overheid zijn, gaat over hoe de overheid omgaat met haar onderdanen.
Pas in 1983 komt er de horizontale werking tussen burgers onderling van de grondwetttelijke bescherming van alle burgers: Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

En daar zie je hoe een volk dat leeft op de fundamenten van een rijker verleden, op een gegeven moment de eigen fundamenten niet meer begrijpt. Het wordt een verbetering en bij de tijd brengen van het fundament genoemd, maar het is daadwerkelijk een omstoting van dat fundament, omdat de bouw en de ontstaansnoodzaak van het fundament niet meer begrepen wordt.

Hoe zit het dan? Waar voor de wet en in overheidsoptreden discriminatie door minderheden als bedreigend kan worden opgevat, is het voor de indiviudele burgers en minderheden zelf juist een vrijheid en een burgerrecht om onderscheid te maken in voorkeuren gunsten en keuzes met wie men meer of minder omgang of relaties wil hebben. En hoe meer men een officiële rol vervuld in de maatschappij, hoe meer daar een smaak en geur aan kan hangen van disciminatie die door andere burgers als bedreigend wordt ervaren. Maar ook dat gaat in principe helemaal niet over minderheden en over discriminatie, maar over reële dreigingen die worden verbonden met bepaalde bestaande of vermeende risico’s. Van één mes op de heup tot één boerka kan er van alles bedreigend zijn, of als zodanig worden opgevat. Vanzelfsprekend gaat het dan helemaal niet over die persoon, maar over de bedreiging. En het is aan de overheid om te bepalen wat de wet zegt over wat onder de burgers als wet moet gelden op een zodanige wijze dat er vrede en veiligheid wordt ondersteund, gewaarborgd of tenminste ervaren. Maar let op: ook dit gaat helemaal niet meer over (horizontale) discriminatie maar over de basis omdat er een wet is: er geldt gelijkheid VOOR DE WET.

Bij een school of vereniging of sportclub of onderneming of winkel hangt het er maar van af. Iedereen heeft een bepaalde vrijheid en hoe meer een instelling een kleur of karakter heeft, hoe meer ook logischerwijs wordt gediscrimineerd. Vrijheid maakt dat mensen hun voorkeuren volgen. Voordat burgers, politici, en rechters in een kramp schieten is het dus relevant en elementair om te onderscheiden dat discriminatie door iets of iemand anders dan de wet, in de eerste plaats een zaak is van vrijheid. En ten tweede is het relevant om steeds te beoordelen of die vermeende disciminatie ook een vrijheidbedreigend effect heeft op de vermeende gediscrimineerden.

Stel eens dat deze school Islamitisch was. Dan kan de school zich beroepen op het feit dat de kinderen met het offerfeest beter gekleed gaan en voor de foto een momentje kunnen inrichten. En dan is alleen maar relevant of de moskee op dat tijdstip zijn diensten al belegde. En de ouders zouden verontwaardigd kunnen zijn omdat hun dagplanning in de war wordt geschopt door de school en hun kinderen op een officiële schooldag naar school moeten. Maar elke weldenkende burger begrijpt dat het onderwerp “discriminatie” bij allemaal moslims hier toch een beetje uit zijn voegen valt: het zou dan vooral suf of onhandig van de school zijn of indien als alleen de klager de last ervan heeft, toch wel wat extreem onaangepast van de klager.
Hoe komt het dat iets dergelijks in deze zaak geen rol speelt? Hoe komt het dat geen enkele gedachte wordt gewijd aan de onhandigheid van de school? Want immers: hoe kun je discriminatie plegen als er geen opzet toe is? Als een zwembad gratis alle blonde meisjes toelaat discrimineert het onbewust alle zwarte rassen. Maar ook zwartharigen. Is dat suffigheid en vrijheid of discriminatie en onderwerping van minderheden? Dat hangt er maar van af, wat je intentie was. Bij deze school mag je dus verwachten dat als er iets onhandigs wordt gedaan, dat dat vooral als onhandigheid wordt gezien, en de gevolgen zijn dan ook voor iedereen die last heeft van die onhandigheid. Dat nu te schuiven onder het hoofdstukje ‘Discriminatie’ heeft vergaande gevolgen voor iedereen die last heeft van onhandigheden. Tenzij natuurlijk dit alleen mag gelden voor onhandigheden tegenover moslims. Maar dat zou dan weer een vorm van discriminatie zijn. Gelukkig is de bepaling zó ruim dat altijd iemand gediscrimineerd wordt! Lees maar mee: “…indien een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat in vergelijking met andere personen bijzonder treft.” Vatten we de strekking? Dus meisjeshandbal organiseren kost de school ook 500 euro per jongen?!

Deze utspraak zet in feite een streep door alle schoolfoto’s. Want die worden voor het schoolbestuur juridisch te riskant omdat elke voorziene afwezige een schadeclaim kan indienen als desondanks de foto toch doorgaat, en te duur omdat fotografen niet meer eenduidig geboekt kunnen worden, en onorganiseerbaar omdat bij elke voorzienbare afwezige een nieuwe planning gemaakt moet worden voor heel de klas/school.

Laten we even de casus erbuiten, dan blijft staan dat hier opnieuw aan de oppervlakte komt hoe met de tijd de verworvenheden van een volk langzaam uithollen, verschralen, en morferen tot een betenisloze brei die vooral wordt gekenmerkt door chaos, willekeur en steeds méér goed bedoelde verbeteringen, die de werkelijke fundamenten onzichtbaar en dan ook onbereikbaar maken.
Want discriminatie is in beginsel het burgerrecht om niet uitgehuwelijkt te worden en niet verplicht een werkrelatie of godsdienstige of sociale of culturele omgangsrituelen te moeten ondergaan, maar in eigen vrijheid en goedgunstigheid zelf te bepalen met wie je omgang hebt en hoe. En voor de wet en de overheid wordt daar paal en perk gesteld door iedereen voor de wet gelijk te behandelen. En overige (horizontale) bescherming tegen discriminatie geldt alleen voor vreedzame burgers en vreedzame vreemdelingen die in het openbare leven geen overlast geven maar wel worden belemmerd of bedreigd door hun afwijkende uiterlijkheden.

Hoe dan ook, in mijn weliswaar persoonlijke beleving is dit een prachtig voorbeeld van een heksenjachtbepaling bij een steeds geringere voeling met het fundamenten van onze rechtstaat; en hebben politici en wetgever in het verleden duidelijk al véél te verkrampt gedaan over het begrip discriminatie, waarvan deze wet nu het overtuigende bewijs levert…

5 JAdB 14/07/2017 om 11:18

Rove: gezien het (blijkens het vonnis) wankele verweer van de school kan ik de uitspraak van de rechter wel als juist aanvaarden. Bij een beter verweer was het wellicht anders geweest.

E.: inderdaad. Als we van de uitspraak uitgaan, lijkt de school dit soort argumenten niet naar voren te hebben gebracht. De conclusie van antwoord e.d. is echter (zoals gebruikelijk) niet integraal in het vonnis opgenomen, dus het is niet mogelijk om te checken of het verweer inderdaad zo zwak was als het vonnis suggereert.

Shadow1100: de rechter dient grote terughoudendheid te betrachten bij het oordelen over (de juistheid van) religieuze interpretaties. Zie HR 15 februari 1957, NJ 1957, 201.

Willem van den Hagemot: het betrof hier een instelling van openbaar onderwijs; overheid dus. Los daarvan gaat de kwestie uiteindelijk om het rekening houden met elkaars belangen. Een school is er immers voor alle leerlingen. Zolang we in Nederland het kunnen beoefenen van een religie als een relevant belang beschouwen, zullen scholen daar dus rekening mee moeten houden. Dat deze uitspraak een streep zet door alle schoolfoto’s omdat deze te riskant zouden worden, vind ik niet. Zoals ik in mijn stuk aangaf, kan de school best op grond van “efficiency” indirecte discriminatie rechtvaardigen, zolang de getroffen belangen niet al te groot zijn. De school heeft op dit punt echter geen (goed) verhaal gehouden bij de rechter, zo lijkt het.

6 Willem van den Hagemot 14/07/2017 om 21:18

@ JAdB: Dit indirecte-discriminatie verbod beperkt zich niet tot de overheid.
Belangenafweging is hier van hetzelfde kaliber als de redelijkheid en billijkheid ingeval een fiets tegen een Lamborghini oprijdt: het recht mist en een morele norm ontbreekt. De belangenafweging gaat fout, omdat het belang van het kind (op school komen) plus het belang van het kind (op school komen) moet worden afgewogen tegen het belang van het kind (van school wegblijven voor andere activiteiten). Hier is de enige zinnige afweging voor een school een wettelijke, namelijk dat het kind op school moet komen. En de ouders moeten zelf afwegen wat nog belangrijker is dan die wettelijke plicht, en dankbaar zijn dat er ruimte voor is. Want zowel het vrijgeven van school als het verzetten van de fotograaf levert theoretisch nieuwe gevallen van indirecte discriminatie op. Mee eens?

7 Barend Benard 17/07/2017 om 10:07

De school zou in hoger beroep moeten gaan. Ik lees in het commentaar dat de school probeerde aan te tonen dat van enige ongelijke behandeling uiteindelijk geen sprake was. Is het niet zo dat de ouders namens het kind moeten stellen en zo nodig bewijzen dat er sprake is geweest van een ongelijke behandeling en dat daar geen rechtvaardiging voor bestond ? Los daarvan denk ik dat het voor rekening en risico van het kind komt als er net op de dag waarop de schoolfoto gemaakt gaat worden, een vrije dag door zijn ouders gevraagd en verkregen is. Wat mij betreft pas deze uitspraak in de categorie “politiek correct”. Een streep er door dus.

8 JADB 20/07/2017 om 12:15

@Willem van den Hagemot: het verbod werkt vanzelfsprekend horizontaal. De reden dat ik mijn opmerking maakte was dat u uitvoerig inging op het verschil tussen horizontale en verticale werking van het discriminatieverbod. Laatstgenoemde acht u, als ik het goed begrijp, meer aanvaardbaar dan eerstgenoemde werking. Wat betreft de wettelijke afweging: er zijn denk ik twee zaken die van elkaar gescheiden moeten worden. De vraag of er een leerplicht geldt en de vraag welke activiteiten de school mag plannen op dagen die bepaalde leerlingen in het bijzonder treft wegens hun geloofsovertuiging. De eerste vraag beantwoordt de Leerplichtwet. Die geeft aan dat geen leerplicht geldt ingeval van de vervulling van religieuze plichten. Het antwoord op de tweede vraag kan worden gevonden door toepassing van de Awgb. En inderdaad: het verzetten van de fotograaf kan nieuwe gevallen van indirecte discriminatie opleveren, maar het gevaar daarop lijkt niet zo groot. Dit soort overwegingen zijn wel reden om het “efficiency”-argument van de school niet als irrelevant af te doen.

@Barend Benard: ik citeer art. 10, eerste lid Awgb: “Indien degene die meent dat in zijn nadeel een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in deze wet, in rechte feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, dient de wederpartij te bewijzen dat niet in strijd met deze wet is gehandeld.”

9 Barend Benard 20/07/2017 om 12:25

Precies. Er moeten dus feiten worden aangevoerd (stelplicht) die het onderscheid kunnen doen vermoeden. Die feiten zijn mijns inziens niet aangevoerd voor dit vermoeden en dus hoeft de school niet te bewijzen dat niet in strijd met deze wet is gehandeld. Dus andermaal: hoger beroep !

10 JADB 20/07/2017 om 13:47

Dat is gebeurd door aan te tonen dat de foto is gepland op de dag van het Offerfeest.

11 Barend Benard 20/07/2017 om 16:28

Nee, dat is juist niet gebeurd. Er moeten feiten worden aangevoerd die tot een vermoeden van onderscheid in de zin van de Awgb kunnen leiden: dat de schoolfoto is gepland op de dag van het Offerfeest, is mijns inziens niet zo’n feit. Het is, nogmaals, goed dat het hof hiernaar gaat kijken.

12 Willem van den Hagemot 22/07/2017 om 10:00

Waarbij de werking van de wet weer enigszins in normale proporties zou kunnen worden gebracht door “de anti-discriminatienorm (onderscheid in planning fotosessie) niet te laten strekken tot bescherming tegen onderscheid dat wordt veroorzaakt door gebruikmaking van een burgerrrecht (vrij vragen voor offerfeest). Dat wil dus zeggen dat de gevolgschade van missen van de foto’s niet wordt beschermd en te ver afligt van de oorzaak, het beroep op een vrijheidsrecht. De indirecte discriminatie door de fotosessie moet dan worden beoordeeld sec op de eigen merites, en dan blijkt dat de fotosessie niet in de gebedstijd en niet op een zondag ligt, maar op een normale schooldag. De onhandige planning is niet meer dan onhandig en geldt in onhandigheid alle betrokkenen. Punt.

Overwegingen onder de streep: Belangen die strikt in de persoonlijke levensfeer liggen, hoeft de school niet uit eigen beweging te behartigen als het gaat om de “tweede graad” van reikwijdte. De fotosessie is daarom een nieuw schoolbelang waarvoor het kind eventueel vrij kan vragen op grond van persoonlijke levenssfeer. Maar hier als school moeten rekenen met het samengestelde (indirecte) persoonlijke belang van foto en offerfeest, is tever weg en levert op dat op het offerfeest helemaal geen school gegeven meer kan worden. Nooit meer. Want als een school kan kiezen voor een vrije vrije dag en dan niet meeweegt dat sommigen wellicht vrij zouden kunnen hebben, dan discrimineert ze volgens deze uitspraak. Met vergelijkbare ongewenste effecten voor het geven van een gepland en ook een overwachte test of overhoring. Want immers een proefwerk is ook maar gewoon een schooldoel zoals de fotosessie dat is. Waarbij de rechter alle vrijheid heeft om de fotosessie als grond van klacht af te wijzen aangezien de fotosessie geen strikt leerplichtwetdoel dient, maar een doel dat in de persoonlijke levenssfeer ligt, wat onmiskenbaar en onbetwist blijkt uit de schadeclaim van 10.000 euro die toch echt geheel immaterieel is. Het immateriële belang in de persoonlijke levenssfeer van 10.000 euro moet dan worden afgewogen tegen het persoonlijke belang van het offerfeest. Die afweging is niet aan de school en ten laste van de school, maar aan de ouders die die dag vooral willen plaatsen in het teken dat Abraham bereid was zelfs zijn kind te offeren voor zijn godsdienst. Wat is er dan symbolischer en een betere oplossing dan het moeten offeren van een foto van het kind…?

13 Barend Benard 22/07/2017 om 11:52

Van den Hagemot: mee eens. Bovendien is het ook nog maar zeer de vraag of er sprake is van (immateriële) schade in de zin van artikel 6:106, lid 1 onder b BW. Ik meen van niet, de kantonrechter neemt dat gemakshalve zonder meer aan. Het zou dan moeten gaan om aantasting in de persoon (zoals de kantonrechter overweegt) maar daarvoor is vereist dat a. de gevolgen van het onrechtmatig handelen ernstig zijn (geestelijk letsel) of b. de gebeurtenis ernstig is (ernstige inbreuk). Van het een noch het ander is sprake. Van geestelijk letsel is niets gebleken (daar was ook niet voldoende voor gesteld) en van een ernstige inbreuk was evenmin sprake, zie r.o. 33. Het belang waarop de school volgens de kantonrechter inbreuk heeft gemaakt was volgens de kantonrechter zelf immers niet groot. De kantonrechter oordeelde dat niet om de toegang tot het onderwijs ging, maar om het kunnen gebruik maken van faciliteiten die aan het onderwijs gelieerd zijn. Dus ook op het punt van de immateriële schade klopt het vonnis niet. Dus andermaal: hoger beroep !

Reactie achterlaten

Vorige post: