Koningin en/of prinses. Much ado about nothing?

door LD op 18/02/2013

in Haagse vierkante kilometer, Uitgelicht

Post image for Koningin en/of prinses. Much ado about nothing?

Op 30 april van dit jaar krijgt Nederland een nieuw staatshoofd. Aan de zijde van de nieuwe Koning Willem-Alexander staat Máxima Zorreguieta, nu al Prinses der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, en straks aan te duiden als Koningin Máxima. Of toch niet? In NRC Handelsblad hebben enkele juristen betoogd dat de titel ‘Koningin’ eerst bij wet moet worden toegekend. Minister-president Rutte zou voor zijn beurt hebben gesproken door Máxima nu al de titel in het vooruitzicht te stellen. Zowel de premier als de RVD ontkenden dat. ‘Koningin’ zou slechts een aanspreektitel zijn, die niet in wetgeving hoeft te worden vastgelegd. In deze discussie speelt de Wet lidmaatschap koninklijk huis uit 2002 een belangrijke rol. Deze wet bevat inderdaad geen bepaling die stelt dat de echtgenote van de Koning de titel ‘Koningin’ draagt, maar de vraag is of dat doorslaggevend is. Wie de wetsgeschiedenis bestudeert, kan in elk geval niet anders dan concluderen dat de wetgever de vraag naar de toekomstige aanspreekvorm van de wederhelft van de toekomstige Koning zeer nadrukkelijk onder de aandacht heeft gehad. En dat verbaast niet, want het voorstel voor de Wet lidmaatschap koninklijk huis werd op 7 februari 2002 ingediend, slechts vijf dagen na het sprookjeshuwelijk in Amsterdam van Willem-Alexander en Maxima.

Hoewel de genoemde wet wordt aangehaald als ‘Wet lidmaatschap koninklijk huis’ is de volledige naam ‘Wet houdende regeling van het lidmaatschap koninklijk huis alsmede daaraan verbonden titels‘. De wet heeft dus tevens betrekking op bepaalde titels die specifiek aan het lidmaatschap van het koninklijk huis verbonden zijn. Die titels vinden we in de artikelen 7, 8 en 9. Het gaat om de titels ‘Prins(es) van Oranje, Prins(es) der Nederlanden en Prins(es) van Oranje-Nassau’. In de memorie van toelichting sprak de regering van ‘titels die historisch verbonden zijn aan het lidmaatschap van het koninklijk huis’, respectievelijk van ‘functionele titels’. Met huwelijk van 2-2-2002 nog vers in het geheugen was het diverse Tweede Kamerfracties (PvdA, CDA, D66, ChristenUnie) opgevallen dat het wetsvoorstel zweeg over de (verdere) aanspreektitel van de echtgenote van de toekomstige Koning. De PvdA-fractie wilde weten of “dit wetsvoorstel het mogelijk maakt dat prinses Máxima zich na de troonsbestijging van prins Willem-Alexander Koningin mag noemen”. De CDA-fractie vreesde een breuk met de negentiende-eeuwse traditie rond de echtgenotes van Willem I, II en III en wilde weten “waarom het wetsvoorstel geen regeling inzake de titel Koningin voor de echtgenote van de Koning (…) bevat”. En waar de D66-fractie stelde dat “het nu gissen blijft of de vrouw van de toekomstige Koning Koningin wordt of prinses blijft” was de fractie van de ChristenUnie verbaasd dat “niet wettelijk wordt geregeld dat de echtgenote van de Koning de titel van Koningin draagt”.

De regering reageerde tamelijk stoïcijns op deze vragen en opmerkingen:

“De regering heeft bij de mondelinge behandeling van de toestemmingswet voor het huwelijk van prins Willem-Alexander aangegeven dat over de aanduiding van prinses Máxima na de troonswisseling besloten zal worden door de regering ter gelegenheid van die gebeurtenis (handelingen verenigde vergadering 2000–2001, p. 25–26). In dit verband wijst de regering erop dat in elk geval sedert de algehele grondwetsherziening van 1983 buiten elke twijfel staat dat de Grondwet slechts één Koning (Koningin) kent. Die aanduiding kan in formele zin uitsluitend betrekking hebben op het staatshoofd. Daarover kan geen enkel misverstand bestaan. Dit constitutionele beginsel neemt niet weg dat de titel Koning (Koningin) ook gebruikt kan worden als aanspreektitel voor andere personen die het koningschap niet (meer) zelf vervullen. Voor de algehele grondwetsherziening van 1983 is dit voorgekomen bij echtgenotes van de koningen Willem I, Willem II en Willem III. Koning Willem I, koningin Wilhelmina en koningin Juliana hebben na hun troonsafstand de koningstitel echter niet meer gedragen. Uit deze voorbeelden blijkt dat hiermee in verschillende perioden op uiteenlopende wijze is omgegaan zodra dit aan de orde kwam. Daarom ligt het in de rede dat het besluit hierover bij de troonswisseling wordt genomen. De regering zal alle elementen die op dat moment bekend en relevant zijn, dan in haar overwegingen kunnen betrekken.

Dit wetsvoorstel staat daaraan op geen enkele wijze in de weg. De regering ziet geen reden om in het wetsvoorstel een regeling op te nemen inzake de titel Koning (Koningin). Een dergelijke juridische verfijning zou verschillende uiteenlopende en moeilijk voorzienbare situaties moeten omvatten terwijl daarvoor de onderscheiden redenen die ten grondslag liggen aan de artikelen 7, 8 en 9 ontbreken.”

Niet iedereen was direct door deze argumentatie overtuigd. Vanuit de CDA-fractie kwam zelfs een amendement dat aan het wetsvoorstel een bepaling wilde toevoegen met als tekst “De echtgenote van de Koning draagt de titel van Koningin. In de toelichting op het amendement werd onder meer opgemerkt dat tot aan de herziening van 1972 de Grondwet zelf de echtgenote van de Koning als Koningin aanduidde*. De indiener van het amendement, het Kamerlid Hillen, achtte het niet verstandig met een regeling te wachten tot de volgende troonswisseling. Tijdens het plenaire debat liet hij zich echter overtuigen door toenmalige premier Kok. Hillen gaf onder meer toe dat “de aanspreektitel van de echtgenote van de koning strikt genomen niet in dit wetsvoorstel thuishoort omdat het om de functionele titels gaat”. Aan het eind van het debat trok hij zijn amendement in. Overigens was het vast niet alleen het betoog van de premier over het onderscheid tussen functionele titels en aanspreektitels dat indruk maakte. De premier hakte in feite de knoop over de toekomstige aanspreektitel van Máxima alvast door:

“Wat de aanspreektitel betreft, heb ik al aangegeven dat het voor de hand ligt dat daarover bij de troonswisseling zelf wordt besloten. Op dat moment zijn immers alle feiten, omstandigheden en wensen van betrokkenen bekend. Dit gezegd zijnde, is er in de ogen van de regering echter geen enkele aanleiding om nu in negatieve zin een hypotheek te leggen op het toekomstig besluit inzake de aanspreektitel. Integendeel, gelet op de huidige inzichten acht ik goede gronden aanwezig om ten tijde van de opvolging van koningin Beatrix door de prins van Oranje, te besluiten dat prinses Máxima koningin zal worden genoemd. Dat ligt zonder meer in de rede. De definitieve beslissing daarover, in formele zin, komt echter toe aan de verantwoordelijken op het moment dat dit concreet aan de orde is. Ik vertrouw erop dat de regering op dat moment, beschikkend over alle relevante gegevens, in wijsheid en met inachtneming van datgene wat hier is gezegd, een afgewogen en goed besluit zal nemen.”

Om daar later aan toe te voegen:

“Ik meen, voorzitter, dat ik in materiële zin glashelder ben geweest over de wenselijkheid dat Máxima koningin zal heten.”

Er lijkt weinig misverstand over te kunnen bestaan dat de wetgever zich zeer bewust was van de kwestie van de titel van de echtgenote van de toekomstige Koning. Op grond van de parlementaire behandeling van de Wet lidmaatschap koninklijk huis laat zich goed een ‘wil van de wetgever’ reconstrueren, inhoudend dat deze wet voor wat betreft titulaturen niet uitputtend bedoeld is en ruimte laat voor aanspreektitels op basis van traditie. Wellicht is er discussie mogelijk over de vraag wat nu eigenlijk het kenmerkende verschil is tussen functionele titels en een aanspreektitel als ‘Koningin’. Zo’n discussie lijkt me weinig zinvol. Zoals het SP-kamerlid Van Raak al aangaf: “Er zijn belangrijkere zaken om mee bezig te zijn”.

* De Grondwet van 1963 deed dit inderdaad, zij het slechts indirect. Artikel 26 bepaalde namelijk: “Een Koningin geniet, na overlijden van de Koning, uit ’s Rijks kas een jaarlijks inkomen van f 200 000 gedurende haar weduwlijke staat”.

 

{ 10 reacties… read them below or add one }

1 WV 18/02/2013 om 17:36

De gedegen bijdrage geeft geen antwoord op de vraag wie er over mag beslissingen. Wim Kok schuift het vraagstuk inderdaad naar de toekomst met de woorden ‘De definitieve beslissing daarover, in formele zin, komt echter toe aan de verantwoordelijken op het moment dat dit concreet aan de orde is.’ Maar is dat nu de dan dienstdoende regering/wetgever die daarover in moet beschikken of niet? H. van Loonstein schreef er een aardig stuk over in Ars Aequi ‘Geen wettelijke basis voor ‘Koningin Máximá’ AA 56 (2007), 673-674. Artikel 8 van de Wet lidmaatschap koninklijk huis lijkt duidelijk, maar is dat zonder de oude grondwettelijke paraplu uit 1972/1963 niet meer zo direct. Wat zou het de regering kosten deze wet aan te passen aan de nieuwe situatie. Dan kan het probleem dat Hillen voorzag snel worden opgelost.

En overigens degenen die zeggen dat er wel belangrijker zaken zijn die hebben geen kennis genomen van de ongelooflijke maatschappelijke en politieke opwinding die dit soort detailkwesties de afgelopen maanden heeft veroorzaakt. Als er in iets belang wordt gesteld is het wel in het Koningshuis en de troonsopvolging. Van mij mag het hoor, het moet een feestje worden, maar zeg niet dat er wel belangrijker dingen zijn.

2 WV 18/02/2013 om 17:37

Lees ‘beslissing’ in regel als ‘beslissen’

3 LD 18/02/2013 om 22:10

De bijdrage is vooral een reactie op de beweringen in het NRC-artikel dat de wet uit 2002 een geheel nieuwe situatie heeft gecreëerd en dat deze vrij nieuwe wet nu genegeerd wordt. Ik denk dat beide beweringen geen steek houden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt in elk geval dat de wetgever zich intensief met het koninginnenvraagstuk heeft beziggehouden en geen uitputtende regeling voor titulaturen heeft willen creëren, behalve dan voor de functionele titels. Het amendement-Hillen lees ik zo dat de indiener de kwestie vooral snel wil regelen, niet dat hij vindt dat de titel bij wet in formele zin moet worden toegekend. De reactie van Kok kun je lezen als dat de regering het besluit kan nemen (het kan ook bij wet, maar het hoeft niet; zoals Kok zei en ook Van Raak nu zegt: je hebt niet overal wetten en regels voor nodig). Een besluit waarvoor de regering uiteraard verantwoording schuldig is aan het parlement, want koninklijke prerogatieven kennen we niet meer.

Uiteraard is mij de opwinding rond de troonswisseling niet ontgaan, met onder meer absurde berichten over wel of niet te dragen hoeden. De opwinding rond de aanspreektitel van Maxima is echter niet van de afgelopen maanden, maar van afgelopen vrijdag. En ik hoop sterk dat die opwinding niet nog maanden aanhoudt.

4 Ruudt 19/02/2013 om 09:44

Toch wel boeiend. Aanspreektitels hoeven niet bij wet geregeld te worden, wordt beweerd. Kan ik inkomen. De wet regelt ook niet of je de rechter moet aanspreken met meneer of edelachtbare.
Maat wat is nu precies de rol van de regering. Als ik de Wet Lidmaatschap Koninklijk Huis snel lees, geeft die geen mogelijkheid om bij KB de titel van koningin, dan wel een andere niet genoemde titel toe te kennen. Is het dan wel zo dat de regering nu ‘een besluit’ moet (of kan) nemen. Of kan Maxima gewoon zelf beslissen hoe ze aangesproken wil worden, waarbij (uiteraard) altijd de ministeriele verantwoordelijkheid geldt. In de wet staat niet dat ze de titel van Koningin krijgt, maar er staat evenmin dat ze zich niet zo mag laten noemen.

5 CR 19/02/2013 om 10:26

@Ruudt “De wet regelt ook niet of je de rechter moet aanspreken met meneer of edelachtbare.”
Het Kostuum- en titulatuurbesluit rechterlijke organisatie regelt in artikel 1 voor de verschillende soorten rechters en leden van het OM de volgende titels: edelachtbare heer of vrouwe, edelgrootachtbare heer of vrouwe, edelhoogachtbare heer of vrouwe, edelgrootachtbare heer of vrouwe. Het lijkt me dat dit aanspreek- of anders aanschrijftitels zijn.
Wie verder leest in de regeling kan zich nog vermaken met baretten met de rand in zwarte zijde geborduurd met eiken- en oranjetakken, of het galakostuum met tweebladige steek met zwarte liggende struisveren, oranje cocarde, een lis van zes strengen en een knoop met rijkswapen.

6 Ruudt 20/02/2013 om 10:56

@CM bedankt! Weer wat geleerd. Dat besluit schijnt gebaseerd te zijn op de Wet op de rechtelijke organisatie, al snap ik de verwijzing niet omdat het artikel naar waar wordt verwezen over iets anders lijkt te gaan.
Wat daarvan ook zij, nu blijkt dat zelfs voor rechters de aanspreektitel is geregeld, moeten we dat ook voor Maxima maar netjes gaan regelen. In de wet, dan wel een KB gebaseerd op de wet. Ik ben om.
En als voor rechters is geregeld dat ze een baret dragen, regel dan meteen ook wat koningin Maxima voor hoofddeksel draagt. Een kroon schijnt gevoelig te liggen, heb ik begrepen. Maar er is vast een leuk alternatief mogelijk.

7 M.J. Hoogendoorn 20/02/2013 om 14:45

@CR Wow!

Kan ik een rechter wraken aan wier toga één van de om de 5 cm geplaatste knopen op de mouw ontbreekt, of glimt?

Of moet ik haar (m/v) gewoon negeren omdat zij blijkens het afwijkende kostuum niet in de uitoefening van haar ambt aanwezig is? Is het p-v van de zitting dan ook nietig?

8 CR 20/02/2013 om 17:32

@M.J. Hoogendoorn. Ik acht wraking goed mogelijk. Het betreft immers een vormfout. Vergelijk het met de discussie destijds over de vraag of alle wetten waaraan het Kamerlid Hirshi Ali had meegewerkt nietig waren, omdat zij geacht werd nooit Nederlander te zijn geweest nadat zij had gelogen bij het verkrijgen van de vluchtelingenstatus en dus niet te hebben voldaan aan de vereisten voor het Kamerlidmaatschap. Het vlindervleugeleffect in het recht, men moet daar niet te kinderachtig in zijn.

9 E.P. Fiet 13/03/2013 om 18:17

Naast deze kwestie speelt natuurlijk ook nog het nationaliteitsvraagstuk. Is dat wel al opgelost? Dat de gemalin of de gemaal van een Nederlands staatshoofd ook een niet Nederlandse nationaliteit kan hebben is een weeffout in ons staatsbestel die dringend reparatie vereist. Hoe kan de schijn van belangenverstrengeling in eventuele Argentijnse kwesties (neem bijvoorbeeld de problemen met de Falklands tussen de met Nederland bevriende natie het Verenigd Koninkrijk en Argentinië), worden voorkomen als het staatshoofd is gehuwd met iemand met de Argentijnse nationaliteit?

10 CR 14/03/2013 om 12:18

De Falklands/Malvinas kan nog ingewikkelder worden als je bedenkt dat de Oranjes in de lijn van troonopvolging van de Britse troon verkeren en op die grond de Britse nationaliteit hebben. Amalia is dus zowel Brits als Argentijns. Zij kan dus met een variatie op Mulisch zeggen: Ik ben de Falklandoorlog (yo soy la guerra de las Malvinas).

Reactie achterlaten

{ 2 trackbacks }

Vorige post:

Volgende post: