Kruisbeeld in Italiaans klaslokaal

door RdG op 18/03/2011

in Grondrechten, Rechtspraak, Uitgelicht

Post image for Kruisbeeld in Italiaans klaslokaal

Professor Janneke Gerards had nog nauwelijks haar opiniestuk over het EHRM-debat online gezet of de uitspraak van de Grote Kamer van het EHRM in de geruchtmakende Lautsi-zaak is bekend gemaakt.

Zij schrijft:

‘In zijn eerdere opiniebijdrage voor het NRC Handelsblad baseert Zwart zijn kritiek op het Hof bijvoorbeeld vrijwel volledig op de kameruitspraak in Lautsi/Italië. Daarbij noemt hij niet dat die zaak inmiddels voorligt bij de Grote Kamer van het Hof – het interne correctiemechanisme waarover het Hof beschikt om belangrijke zaken bij grote controverse nogmaals zorgvuldig te bezien. Zowel de uitkomst als de redenering kan daarbij nog veranderen, zodat het weinig gelukkig is om juist deze zaak tot aangrijpingspunt te kiezen voor kritiek op het Hof.’

En inderdaad, het interne correctiemechanisme heeft ertoe geleid dat er nu een andere conclusie ligt:

‘The Court found that, while the crucifix was above all a religious symbol, there was no evidence before the Court that the display  of such a symbol on classroom walls might have an influence on pupils. Furthermore, whilst it was nonetheless understandable that the first applicant might see in the display of crucifixes (…) a lack of respect on the State’s part for her right to ensure their education and teaching in conformity with her own philosophical convictions, her subjective perception was not sufficient to establish a breach of Article 2 of Protocol No. 1.’

‘The Court concluded that, in deciding to keep crucifixes in the classrooms of the State school attended by Ms Lautsi’s children, the authorities had acted within the limits of the margin of appreciation left to Italy in the context of its obligation to respect, in the exercise of the functions it  assumed in relation to education and teaching, the right of parents to ensure such education and teaching in conformity with their own religious and philosophical convictions.’

Kortom, geen schending van art. 2 van het Eerste Protocol volgens een meerderheid van de Grote Kamer (15 tegen 2). Er is niet vastgesteld dat het crucifix-beeld invloed had op de leerlingen, die bovendien niet verplicht les kregen over het Christendom. De beslissing van Italië om kruisbeelden in de lokalen te houden is daarom in overeenstemming met de margin of appreciation die aan de lidstaat wordt gelaten, zeker aangezien er op dit gebied geen Europese consensus is en het Italiaanse beleid bovendien geen vorm van indoctrinatie inhoudt waartegen het EHRM zou moeten optreden.

Over deze beslissing, die amper een uur geleden bekend is geworden, zal de komende dagen veel worden geschreven en gezegd. Wellicht dat het ook een nieuwe wending geeft aan het EHRM-debat, aangezien de oorspronkelijke beslissing van het EHRM (wél schending) een vaak aangehaald voorbeeld was waarmee de criticasters van het Hof probeerden aan te tonen dat het Hof op een onaanvaardbare manier de nationale soevereiniteit zou beperken.

{ 3 reacties… read them below or add one }

1 GB 21/03/2011 om 15:54

Het Hof beperkt zich tot de vraag of de aanwezigheid van crucifixen in klaslokalen van staatsscholen in strijd is met artikel 2 Eerste protocol (gelezen met artikel 9).

Deze artikelen leveren een verbod van indoctrinatie op. Een kruisbeeld aan de muur schroeven is geen indoctrinatie (daar is geen bewijs voor, en het hangt er ook alleen maar te hangen) dus is artikel 2 niet geschonden.

Waar is de overvloedige retoriek over de margin of appreciation goed voor? Welke vraag laat het Hof dan precies aan de beoordelingsmarge van de lidstaten over?

2 JADB 22/03/2011 om 19:33

GB,

Ik denk even met je mee:

In zijn algemene overwegingen onderzoekt het Hof wat “respect” betekent:

“Nevertheless, the requirements of the notion of “respect”, which appears also in Article 8 of the Convention, vary considerably from case to case, given the diversity of the practices followed and the situations obtaining in the Contracting States. As a result, the Contracting States enjoy a wide margin of appreciation in determining the steps to be taken to ensure compliance with the Convention with due regard to the needs and resources of the community and of individuals.”

Die margin of appreciation wordt in ieder geval geschonden in het volgende geval:

“The State is forbidden to pursue an aim of indoctrination that might be considered as not respecting parents’ religious and philosophical convictions. That is the limit that the States must not exceed (see judgments cited above in this paragraph, §§ 53, 84 (h) and 52 respectively).”

Ik ben het met je eens dat de overwegingen van het Hof nogal overbodig lijken te zijn. Er wordt immers een harde buitengrens van art. 2 EP geformuleerd. Als je indoctrineerd, dan ben je te ver gegaan, en anders niet. Waarom je het dan nog over de margin of appreciation moet hebben, is de vraag. Van afwegingen is helemaal geen sprake, namelijk, het is gewoon een interpretatie kwestie.

Mogelijk zou je nog kunnen stellen dat het hof aangeeft dat van een schending van artt. 2 EP en 9 EVRM in ieder geval sprake is als er wordt geïndoctrineerd, maar dat dat echter ook handelingen die niet onder indoctrinatie vallen een schending van genoemde artikelen kunnen opleveren. Het hof redeneert in de uitspraak zelf echter niet op die manier.

3 GB 22/03/2011 om 21:17

@JAdB

Dank.

Denk na enig puzzelen ook dat het Hof niet uit wil sluiten dat niet-indoctrinerende maatregelen wel schendingen van de artikelen kunnen zijn.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: