Lapwerk of een radicale oplossing?

door IvorenToga op 25/12/2012

in Rechtspraak

Post image for Lapwerk of een radicale oplossing?

Als een probleem zich voordoet, kun je proberen het met lapwerk te lijf te gaan in de hoop dat je daarmee de scherpste kantjes eraf haalt. Je kunt ook trachten een veel verdergaande, meer radicale oplossing te vinden, in de gedachte dat je het daarmee echt de wereld uit helpt. Als het om wrakingen gaat, kiest de vergadering van presidenten van de Nederlandse gerechten – gelet op de beperkte opdracht aan de door haar ingestelde adviescommissie – voor de eerste weg. Deze commissie doet uitsluitend aanbevelingen in het – nauwe – kader van de huidige procedure, waarbij rechters van het-zelfde gerecht als de al dan niet te wraken rechter over het wrakingsverzoek beslissen.

In een artikel in NJB heb ik, onwetend van het bestaan van deze commissie, een voorstel gedaan dat meer op de tweede benadering lijkt. Kern hiervan is dat over de eventuele (schijn van) partijdigheid van een rechter pas bij de behandeling van de zaak in hoger beroep een beslissing wordt genomen. Ook na lezing van de aanbevelingen van de commissie en van opmerkingen naar aanleiding van mijn artikel geloof ik, afgezien van een enkel nuancerend zijpad, nog steeds in de wenselijkheid mijn weg in te slaan. En nu lijkt ook de Raad voor de rechtspraak in die richting te denken, gelet op de reactie op een zojuist verschenen rapport van de Universiteit van Utrecht.

Dát er een probleem is, hoeft geen betoog. Dat zit ’m niet in de (schijn van) partijdigheid van de rechters, althans als de cijfers de werkelijkheid vertegenwoordigen. Het percentage toegewezen wrakingsverzoeken is immers minimaal. Alleen als onze wrakingskamers op grote schaal zouden falen in het signaleren van rechterlijke partijdig-heid, zou de angel daar moeten worden gezocht en onschadelijk worden gemaakt. Dan zou ook nog sprake moeten zijn van – een al dan niet bewuste – partijdigheid bij de rechters die over de wrakingsverzoeken tegen hun naaste collega’s moeten oordelen. Dat weiger ik te geloven.

Het feit dat rechters van hetzelfde gerecht de beslissingen nemen, is echter wel een van de knelpunten, in de eerste plaats voor de vandaag de dag niet onbelangrijke maatschappelijke beeldvorming. Daarnaast heeft het Wildersproces laten zien dat beslissingen van wrakingskamers binnen een rechtbank tot persoonlijke wrijvingen kunnen leiden. Alleen al om deze twee redenen moet het oordeel over een wrakingsverzoek bij een andere instantie worden neergelegd. Dat zou natuurlijk een andere recht-bank (of een ander hof) kunnen zijn. Maar dan blijft het tweede knelpunt onopgelost: de – gezien de cijfers kennelijk bijna altijd onnodige – verstoring van het verloop van het proces, met daaraan gekoppeld de noodzaak bij elk gerecht een (grote) wrakingskamer in stand te houden.

Natuurlijk mag efficiency niet voorop staan, als het om integere rechtspraak gaat. Dat merkt de Venlose advocaat mr J.C. Oudijk terecht op als reactie op mijn NJB-artikel. Maar je mag wel trachten te voorkomen dat bepaal-de procedures de afdoening van rechtszaken onnodig verhinderen.

Dat alles is voor mij reden voor te stellen wrakingen niet meer in afzonderlijke procedures in het eigen gerecht te laten behandelen, maar de hogere rechter te laten oordelen of van (de schijn van) partijdigheid sprake was.

Als het dan nog nodig is.

Goed denkbaar is dat degene die tijdens de behandeling van een zaak vond dat een rechter wrakingswaardig gedrag vertoonde, met de uiteindelijke uitspraak tevreden is (en achteraf wellicht ten onrechte meende dat van partijdigheid sprake was). Zo moet niet worden uitgesloten dat de eerste combinatie die de Wilderszaak behandelde en die op het laatste moment – met succes – werd gewraakt, tot vrijspraak was gekomen. Het tweede proces had dus kunnen zijn vermeden, als pas in hoger beroep over het wrakingsverzoek een oordeel had hoeven zijn gegeven.

Oudijk en anderen signaleren nog een ander probleem: de onmiddellijke uitvoering van beslissingen. Een sprekend voorbeeld is de voorlopige hechtenis van een verdach-te in een strafproces, hetzij hangend het proces, hetzij bij de uitspraak. Het kan zijn dat een verdachte meent dat partijdigheid van de rechter ten grondslag ligt aan de be-slissing hem niet in vrijheid te stellen. Daarvoor zou een oplossing kunnen worden gevonden door betrokkene de mogelijkheid te bieden de voorlopige hechtenis op de kortst mogelijke termijn door een andere kamer van het gerecht te laten toetsen. Zo kan men ook de executie van bij voorraad verklaarde beslissingen in civiele zaken door een kortgedingrechter laten verhinderen.

Voordeel van deze werkwijze is dat het dan niet om de eventuele wraakbaarheid van de rechter, maar om de zaak zelf gaat. Het belangrijkste is echter dat op de door mij voorgestelde een tijdrovende procedure kan worden voorkomen. Daarbij kan ik er niet omheen dat wrakingsverzoeken soms ook ten doel hebben zand in de machine te strooien of worden gedaan door notoire querulanten. Aan dit laatste wordt wel het hoofd geboden, doordat de wrakingskamer nieuwe wrakingsverzoeken van betrokke-ne niet meer in behandeling neemt. Maar ook dat is lapwerk en dat moeten we niet willen.

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter Rechtbank Amsterdam

Deze post is de onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: