Last of the Lords: Purdy v. Prosecutions

door JU op 01/10/2009

in Buitenland, Grondrechten, Rechtspraak

Een tijdje geleden was er op dit blog aandacht voor het vertrek van de Law Lords uit het House of Lords. Sinds vandaag vormen de Law Lords een nieuw Supreme Court. Tussen de verhuisdozen hebben de Law Lords na hun zomervakantie hun laatste uitspraken als Lords of Appeal in Ordinary zitten schrijven. Eén van die uitspraken betrof de zaak van mevrouw Purdy tegen de Director of Public Prosecutions (DPP).

Debbie Purdy heeft sinds 1995 last van een ernstige vorm van multiple sclerose. Haar bestaan wordt langzaam maar zeker ondragelijk en op een zeker moment zal ze er een eind aan willen maken. Omdat euthanasie in het Verenigd Koninkrijk nog altijd strafbaar is, reist ze er graag voor naar Zwitserland. Haar man, Omar Puente, wil haar terzijde staan, maar onder de huidige Britse strafwet is hij dan strafbaar. Hoewel de Britse justitie terughoudend is met de vervolging in dergelijke zaken (zie bijvoorbeeld de beslissing in de kwestie van Daniel James), wil mevrouw Purdy begrijperlijkerwijs zekerheid dat haar man niet het risico loopt gearresteerd te worden als hij na de enerverende trip weer thuis is. Wat zij dan ook graag van de Director of public prosecutions (DPP) zou willen weten is welk beleid hij hanteert bij de beslissing om wel of niet te vervolgen.

Een soortgelijke zaak diende in 2002 voor het Europees hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Diane Pretty – inmiddels overleden – kreeg van de autoriteiten geen toezegging dat haar man met rust gelaten zou worden en took her case to Strasbourg. In Pretty v. Unted Kingdom kwam de Britse regering met de schrik vrij. Het hof sprak niet uit dat het recht op leven (art. 2 EVRM) ook het recht om te sterven omvat. Wel concludeerden de Straatsburgse rechters dat de vervolging van meneer Pretty een inbreuk kon zijn op de persoonlijke levenssfeer van mevrouw Pretty, maar die inbreuk kon het hof nog billijken.

Waar de dames Pretty en Purdy een probleem mee hebben, is het hoge ‘blanket’-gehalte van de strafbepaling: elke hulp bij zelfdoding is strafbaar. Gegeven het resultaat van Diane Pretty in Straatsburg koos mevrouw Purdy voor een andere koers. In plaats van een toezegging dat haar man niet vervolgd zou worden wilde ze dat de Director of public prosecutions zijn beleid zou publiceren. Zonder publicatie, zo meende Purdy, geen wettelijke grondslag voor vervolging.
De blanketbepaling specificeerde immers niet welk gedrag strafbaar was. Het strafbare gedrag was, met andere woorden, niet voorzienbaar.

Wat doet de Britse rechter daar nu mee? De lagere rechters geven mevrouw Purdy ongelijk. Ze moeten wel. Dankzij het Angelsaksische concept van precedent zijn zij gebonden aan eerdere beslissingen van hun bazen: de Law Lords. In de Pretty-zaak hadden die nog geconcludeerd dat artikel 8 EVRM op dit soort zaken niet van toepassing was. Straatsburg floot hen op dat punt terug en constateerde wel een inbreuk. Britse rechters zijn echter gebonden aan het precedent van de Lords, en kunnen dus niet anders dan het beroep van Purdy afwijzen. Their Lordships (and her Ladyship) beslissen anders. Eerst wordt op basis van de Pretty-uitspraak van het Straatsburgse hof erkend dat artikel 8 EVRM van toepassing is. De Lords gaan op dit punt expliciet om.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of nu sprake is van een voldoende precieze strafbaarheid. Het Europese hof stapte in Pretty gemakkelijk over deze kwestie heen. De strafbaarheid stond in de wet en daarmee basta. De Lords gaan er wat dieper op in dan het Europese hof en concluderen unaniem dat het beleid van de DPP normaal gesproken duidelijk is, maar juist op dit – zeer omstreden – punt niet. Omdat juist dit soort kwesties gevoelig zijn, is er behoefte aan beleid.

Kan de rechter het Britse OM dan de opdracht geven om beleid te formuleren? Juist in de Pretty-zaak meende de toenmalige senior Law Lord, Bingham, dat de DPP in elk geval niet verplicht was om beleid te formuleren. Lord Brown wijst er echter op dat mevrouw Pretty destijds niet om beleid had gevraagd en ook geen beroep had gedaan op het vage karakter van de strafwet. In deze zaak zijn de Lords voorzichtiger in hun bewoordingen. Zo meent Lord Neuberger dat het in eerste instantie aan het OM zelf is om te besluiten al dan niet opheldering te geven. Lord Hope stelt bovendien voorop dat het niet de taak van de rechter is om het recht te wijzigen door hulp bij zelfdoding te decriminaliseren. Toch zijn their Lordships het erover eens dat de rechter weldegelijk een rol te spelen heeft. Lord Neuberger haalt in dat verband een formulering van stal die wel wat weg heeft van een bezwering tegen political question-achtige argumenten: er is hier een grondrecht in het geding – dan gaat het dus om een rechtsvraag – en dan is het dùs een vraag voor de rechter.

Of dat nu zo’n overtuigende redenering is staat nog te bezien. Jazeker, de vraag of aan de eisen van artikel 8 EVRM is voldaan als zonder nader beleid wordt vervolgd is er ongetwijfeld één voor de rechter. Maar daarmee is nog niet gezegd dat de rechter het bestuur ook kan en moet opdragen om algemene regels op een bepaald punt te formuleren. Hier wordt niet een verklaring voor recht gegeven dat de wettelijke regeling onder de maat is voor het geval er vervolgd gaat worden, hier wordt een bevel gegeven aan de DPP om beleidsregels te formuleren. Men kan zich de aardige vraag stellen hoe groot het verschil is tussen het geven van een bevel aan het bestuur tot het vaststellen van beleidsregels en het vaststellen van bestuurswetgeving, iets waartoe de Nederlandse rechter zich niet bevoegd lijkt te achten.

Pikant is dat ook het Britse parlement zich over de decriminaliseringskwestie boog. De Nederlandse rechter is dan al snel geneigd om de kwestie nog even te laten rusten: een rechtsvormende taak ziet hij dan niet voor zich weggelegd. Wat deze zaak mooi laat zien is dat openlijke rechtsvorming op dit punt ook door de Britse rechter wordt afgewezen. Door gebruik van een ‘soft’instrument, het bevel beleid op te stellen, geeft hij de rechtsontwikkeling echter wel een subtiele duw. Hulp bij zelfdoding wordt weliswaar niet gedecriminaliseerd, maar de praktijk van de DPP om niet of nauwelijks te vervolgen wordt wel geformaliseerd, iets waartegen de DPP zich steeds heeft verzet. Het wordt op die manier moeilijker om te vervolgen en daarmee gaat er een treintje rijden richting decriminalisering dat – in elk geval door het bestuur – steeds moeilijker te stoppen zal zijn. Aan de andere kant laat de rechter het OM wel ruimte bij het uitstippelen van de route. Voor vervolging blijft voorlopig nog wel enige ruimte. De vraag hoeveel ruimte dat is, wordt dan de volgende fase in deze dialoog tussen rechter en wetgever.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 RML 05/10/2009 om 13:56

Het hof sprak niet uit dat het recht op leven (art. 2 EVRM) ook het recht om te sterven omvat.

Het blijft toch wat raar. We hebben niets te zeggen over onze geboorte. En als klein kind heb je ook niet veel in te brengen al wordt je met de paplepel ingegeven dat je verantwoordelijk bent voor je eigen daden en je eigen toekomst.

Als die toekomst echter inhoudt dat ik eerder uit het leven wil stappen dan "natuurlijk" is, wordt ik ineens weer behandelt als een klein kind.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: