Lastige zaken, slecht recht? Het EHRM over uitkering en eigendomsrecht

door Ingezonden op 19/01/2017

in Europa, Grondrechten

Post image for Lastige zaken, slecht recht? Het EHRM over uitkering en eigendomsrecht

Toen het EHRM vorige week uitspraak deed over verplicht schoolzwemmen voor moslimmeisjes, leken de reacties wel opgelucht (‘ziet u, dat Straatsburgse Hof is best verstandig’). Maar minder goed nieuws is er ook. In de langverwachte uitspraak in de zaak Bélané Nagy t. Hongarije concludeert de Grote Kamer dat ook wanneer iemand niet aan de wettelijke voorwaarden voor een uitkering voldoet, de weigering ervan kan leiden tot een schending van het eigendomsrecht (art. 1 Eerste Protocol EVRM). Helaas is de manier waarop niet al te overtuigend. In zijn concurring opinion schrijft rechter Wojtyczek dat de argumentatie van de meerderheid ‘may appear as a step back in the development of the standards of a democratic State ruled by law’, zodanig dat het ‘affects the authority of the Court, but also has a detrimental impact on European legal culture’. Geen prettige vaststelling in tijden waarin het EHRM regelmatig onder vuur ligt en ‘rampjaar’ 2016 passend werd afgesloten met het bericht dat Theresa May campagne gaat voeren met opzegging van het EVRM. Toch is het goed om even bij de zaak stil te staan.

In 2001 kreeg mevrouw Bélané Nagy een arbeidsongeschiktheidspensioen, dat vervolgens in 2010 werd stopgezet vanwege een wijziging in de berekening van het niveau van arbeidsongeschiktheid. Beroep bij de rechter mocht niet baten en klaagster bleef trouw naar de keuringen gaan. In 2012 werd het arbeidsongeschiktheidspensioen vervangen door een nieuwe arbeidsongeschiktheidsuitkering. Hoewel haar medische toestand nu wel weer ernstig genoeg werd bevonden, werd de aanvraag van klaagster hiervoor afgewezen omdat zij niet het vereiste aantal dagen (middels verplichte premies) had bijdragen. Het EHRM kan vanwege zijn temporele jurisdictie niet ingaan op de stopzetting in 2010, maar gaat na of deze weigering in strijd is met het eigendomsrecht. Daarvoor moet eerst sprake zijn van een eigendom (‘possession’), en hoewel Bélané Nagy niet aan de wettelijke voorwaarden voldeed, concludeert de Grote Kamer (net als de Kamer in 2015) dat er toch sprake was van een ‘legitieme verwachting’. Zij had immers eerder wel aan het ‘contribution criterion’ voldaan en het arbeidsongeschiktheidspensioen ontvangen, en mocht er dus op rekenen in de toekomst weer een uitkering te (kunnen) krijgen. Deze redenering overtuigt niet, en dat vind niet alleen ik, maar ook de acht (!) dissenters en eerdergenoemde Judge Wojtyczek. Moet een legitieme verwachting niet verbonden zijn aan een concrete ‘asset’? Betekent dit nu dat iedereen die op een bepaald moment voldoende premie heeft betaald, een eigendomsrecht heeft, ongeacht of democratisch wordt besloten de wettelijke voorwaarden te veranderen? Dit zou tot een aanzienlijke uitbreiding van het aantal eigendomsrechtelijke klachten kunnen leiden.

De meerderheid oordeelt uiteindelijk dat de inmenging in het eigendomsrecht disproportioneel was. En toegegeven, klaagster kon wel een Straatsburgs vangnet gebruiken, want haar situatie was allesbehalve gemakkelijk. In de laatste paragraaf van hun minderheidsopinie verontschuldigen de dissenters zich dan ook een beetje voor het feit dat het EVRM haar volgens hen niet kan helpen. Maar helaas, ‘hard cases do not make good law’.

Hier zou tegenin kunnen worden gebracht dat het EHRM helemaal geen ‘recht’ moet ‘maken’. Is het niet precies de taak van de rechter – en zeker ook een mensenrechtenhof – om in individuele gevallen effectieve bescherming te bieden, en moet hij zich niet vooral verre houden van het creëren van algemene regels? Zo simpel is het helaas niet. Juist het supranationale EHRM moet naast het bieden van individuele bescherming, ook duidelijk maken wat van lidstaten wordt verwacht zodat zij zonder tussenkomst van het Hof conform het EVRM kunnen handelen. Bovendien, waar de conclusie of een beperking van een EVRM-recht in een specifiek geval nu wel of niet ‘proportioneel’ is, uiteraard vooral mag en moet gaan over dat ene geval, geldt dat minder voor de bepaling van de reikwijdte van een EVRM-recht. Als het Hof hier meent dat ook bij gebrek aan een op het recht gebaseerde legitieme verwachting, een eigendomsrecht in de zin van het EVRM kan worden geclaimd, dan geldt dat niet alleen voor mevrouw Bélané Nagy. Het zou dan handig zijn als het uitlegt waar zo’n recht op verkrijging van een uitkering nu meer precies begint en – vooral – ophoudt. Jammer is dat het doet alsof het hier helemaal geen ‘nieuwe’ interpretatie betreft, en een en ander gewoon volgt uit eerdere rechtspraak. Wellicht bedoeld om dingen niet groter te maken dan ze zijn, roept dit vooral verwarring – en ook wat irritatie – op.

Met een meerderheid van negen tegen acht zal de betekenis van deze Grote Kamer-uitspraak zowel voor de rechtspraak als in het debat, beperkt blijven. Dat is waarschijnlijk een zegen, maar ook een gemiste kans. De socialezekerheidsrechtspraak van het Hof kan wel wat verduidelijking gebruiken, en het Hof nog wel wat good press.

Ingrid Leijten

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: