Leed over de inhuldigingseed

door WV op 22/04/2013

in Haagse vierkante kilometer

Post image for Leed over de inhuldigingseed

Staan de Kamerleden onder een ambtsplicht  om verklaring (‘eed’) af te leggen  tijdens de inhuldigingszitting van de verenigde vergadering van de Staten- Generaal op 30 april? Daarover werd in verschillende kranten gedebatteerd. In totaal zestien Kamerleden gaven de voorzitter van de verenigde vergadering te kennen de eed niet af te willen leggen. Een aantal van hen wil de vergadering op 30 april wel bijwonen. Publiekrecht en politiek in optima forma. Wim Voermans en Erik Jurgens deden op 22 april in Opinie en Debat van de Volkskrant een laatste duit in het zakje. Hieronder hun bijdrage. De links naar de andere krantenstukken met de achtergronden voor de gedachtenwisseling Voermans, Korthals Altes, Jurgens en Voermans zijn onderin de bijdrage opgenomen.

Huldigingseed is geen ambtsplicht

In zijn bijdrage aan Opinie en Debat van 10 april maakt Frits Korthals Altes zich onnodig druk. Hij stelt dat het afleggen van de eed van trouw aan de Koning op 30 april voortvloeit uit een ambtsplicht op grond van de inhuldigingswet 1992. De zestien eedweigeraars handelen daarom eigenlijk onrechtmatig. De werkelijkheid is anders. De wet regelt een ceremoniële procedure, niet een  handeling die nodig is voor het welslagen van de ambtsaanvaarding van de nieuwe Koning. Daarover kun je , ook als Kamerlid, verschillende opvattingen hebben. Er zijn er die zodanige bezwaren hebben tegen het erfelijk koningschap dat zij op 30 april wegblijven. Dat is ongezellig, maar niemand kan ze dat beletten, ook een wet van 1992 niet.  De grootste  groep doet gewoon mee aan de procedure zoals deze is vastgelegd in de wet, en spreekt een tekst uit die de vorm heeft van een eed of belofte, maar het niet is (want dat uitspreken heeft geen enkel staatsrechtelijk gevolg). Een derde groep, die het erfelijk koningschap niet afwijst, maar bezwaar heeft tegen het afleggen van een nep-eed komt wel gezellig meedoen, maar spreekt die eed/belofte niet uit. Dat is mogelijk: leden van de Kamers kunnen  altijd vergaderingen daarvan bijwonen zonder actief daaraan mee te doen; Het wel komen, maar niet zweren is dus een chique tussenoplossing. Korthals Altes gaat daartegen ten onrechte te keer.

Bovendien klopt zijn redenering helemaal  niet.  Al zijn er nogal wat belangrijker zaken aan de orde dan het afleggen van de eed op 30 april, toch moet zijn voorstelling van zaken worden weersproken. Het is een gelegenheidsredenering die kenmerkend is voor de kramp die rondom de beëdiging van de nieuwe koning aan het ontstaan is: zelfs de Grondwet moet wijken en eedweigeraars worden onder grote druk gezet omdat er een eedsplicht zou zijn. Ruud Koole, gaf in de Volkskrant van van 16 april een rake repliek. Koole heeft gelijk, want die plicht is kwestieus. Korthals Altes geeft kort en goed drie argumenten voor de plicht tot het afleggen van de eed: 1. de eed was er altijd al (nooit weggeweest), 2. de eed kent een (correcte) wettelijke grondslag,  3.  de eed is belangrijk, wat bezegelt het verbond tussen Koning en volk.

Het eerste argument klopt gewoon niet. In 1983 is de eed uit de Grondwet geschrapt en – tot op het moment dat er wettelijke voorziening zou zijn getroffen voor de inhuldiging – geparkeerd in een additioneel artikel van de Grondwet. Er was over het voortbestaan van die eed bij de grondwetsherziening discussie in de Kamer:  kon de eed niet direct helemaal weg? Minister Wiegel antwoordde daarop in 1980 dat een volgende Kamer daarover maar moest beslissen.  De stelling dat de huldigingseed eigenlijk automatisch doorleefde na 1983 (kwestie van verplaatsing van Grondwet naar wet) , zoals Korthals Altes beweert, is dus zeker niet waar. Er is tussen 1983 en 1989 veel geduwd en getrokken om de eden aan de Koning  alsnog in een wet te krijgen, met een wonderlijk gevolg. In onze Grondwet bestond er vanaf 1814 maar één eed aan de Koning, maar toen die uit de Grondwet werd geschrapt hadden we er  – zonder grondwettelijke basis – vanaf 1992 ineens twee: een bij de ambtsaanvaarding van Kamerleden (art. 60 Grondwet spreekt trouwens alleen over een eed aan de Grondwet – niet aan de Koning) – via een bizarre salto ineens ‘overgeërd’ uit het Statuut – en een in het kader van de inhuldiging (art. 32 Grondwet, dat ook niet spreekt over een eed van Kamerleden aan de Koning).

De parlementaire behandeling van die eedwetten verliep trouwens curieus. De wetsvoorstellen liggen in 1989 al jaren op de plank bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken: aan de ene kant geen halszaak, aan de andere kant ingewikkeld vanwege de positie van het Koningshuis. Op 3 mei 1989 valt het kabinet Lubbers over het reiskostenforfait. In de periode daarna staat alles in het teken van de verkiezingen. In het oog van die storm dient het demissionaire kabinet – met Korthals Altes aan boord –  de wetsvoorstellen inhuldiging en beëdiging Kamerleden op 4 juli in. Slim. Bij de behandeling van het voorstel in de  vaste Kamercommissie komen alleen de kleine christelijke partijen en het CDA opdraven. Er is een summier verslag. Bij de plenaire behandeling op 10 april is  uidelijk dat via de tamtam ook de woordvoerders van de regeringspartijen (Lubbers III is inmiddels aangetreden) Apostolou (PvdA) en Wiebenga (VVD) zijn opgetrommeld. Wiebenga – die als eerste pleit voor openbare beëdiging van ministers bij hun ambtsaanvaarding – roert nog even het punt aan of de wet inhuldiging wel steunt op de Grondwet. En daarmee is dan de kous af, want ook de Eerste Kamer maakt korte klap. De kwalificatie ‘vergeten’ wet lijkt geenszins overdreven, al is de inhuldigingswet natuurlijk wel een wet.

Er is alleen iets mis met die wet: hij steunt niet op de Grondwet. Artikel 32 van de Grondwet bepaalt dat de Koning bij de inhuldiging een eed van trouw zweert aan de Grondwet, en dat hij wordt ingehuldigd in de Verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Geen woord over die eed van Kamerleden. Wel zegt het artikel dat er nadere regels mogen worden gesteld bij wet. Maar nadere regels mogen alleen worden gesteld over de onderwerpen genoemd in dat artikel, dat mag je niet ruim interpreteren. Iedereen zal begrijpen dat als we op basis van dit grondwetsartikel een wet maken die een inhuldigingsheffing van 150 euro aan elke Nederlander oplegt, of verplicht tot een buiging voor het Koningsportret, zo’n wet niet door de beugel kan. En toch is dat de redenering van Korthals Altes. Er staat iets over inhuldiging in artikel 32 van de Grondwet, dus dan mag het opleggen van een eedsverplichting bij wet ook. Dat is een rookgordijn en staatsrechtelijk ook onjuist. De Raad van State kijkt bij zijn advies normaal naar dit soort dingen, alleen is dat advies van de Raad bij dit wetsvoorstel niet openbaar gemaakt, maar geheim gehouden. Waarom weten we niet. Maar vast staat dat gemeten naar de normale staatsrechtelijke regels en jurisprudentie de basis die artikel 32 Grondwet biedt voor de inhuldigingswet op zijn minst kwestieus is en er dus wel serieuze grondwettelijke vraagtekens bij de ‘ambtsplicht’ te stellen zijn. Wat daar zo ‘schromelijk onjuist’ aan zou zijn, zoals Korthals Altes stelt, kunnen wij op grond van het staatsrecht niet inzien.

Ook Korthals Altes’ laatste argument, de eed bezegelt het verbond nieuwe Koning en volk, snijdt geen hout. Wat voor verbond is dat waarin de Koning trouw zweert aan de Grondwet en belooft zijn best te doen, terwijl de Staten-Generaal trouw zweert aan hem. Ware het een verbond dan zou de Koning ook iets beloven of zweren in de richting van de volksvertegenwoordigers. Dat doet hij niet. De eed is daarmee een eenzijdige loyaliteitsverklaring van het parlement aan de Koning.  Al heeft die eed dan geen juridisch gevolg, er gaat wel een heel verkeerd signaal van uit. De gekozen volksvertegenwoordigers lijken zich te onderschikken aan de Koning. De overige aanwezigen, ministers, staatssecretarissen, leden van de Raad van State en anderen leggen immers in die  vergadering geen van alleen een eed af, alleen de volksvertegenwoordigers. En het is ook hun nog eens hun vergadering daar in de Nieuwe Kerk.

Andere Europese monarchieën (België, Noorwegen, Denemarken, Spanje en  Zweden) hebben (wellicht daarom) geen parlementaire inhuldigingseed aan de Koning meer. Hang naar eden van het parlement aan staatshoofden kennen we veeleer in landen waarmee we ons misschien minder graag mee vergelijken, zoals Thailand (jaarlijks), Swaziland, Saoedi Arabië (alle inwoners),  Bahrein, Quatar en Koeweit. In India en Kenia liggen de eden van parlementsleden  aan de president onder vuur (in Kenia weigerden veel leden), in Afrika zijn de meeste parlementaire loyaliteitseden aan het staatshoofd de laatste vijftien jaar afgeschaft. Ze passen namelijk, zo vond men daar terecht, niet in een parlementaire democratie.

Op 30 april kunnen de leden van de Kamers dus een keuze uit drie doen. Daar is niks op tegen, er is geen ambtsplicht, ieder volge zijn overtuiging. Maar daarna moet het parlement, als de gemoederen bedaard zijn, eens goed kijken naar die inhuldigingswet.

Wim Voermans (hoogleraar staatsrecht, Universiteit Leiden)

Erik Jurgens (emeritus hoogleraar staatsrecht VU, voormalig
lid Tweede en Eerste Kamer  PvdA)

Wim Voermans Volkskrant 16 februari 2013 http://www.volkskrant.nl/vk/nl/3184/opinie/article/detail/3394637/2013/02/16/De-Grondwet-zegt-niets-over-eed-aan-de-Koning.dhtml

Frits Korthals Altes Volkskrant 10 april 2013 http://www.volkskrant.nl/vk/nl/3184/opinie/article/detail/3422965/2013/04/10/Afleggen-eed-bij-huldiging-Willem-Alexander-is-een-wettelijke-ambtsplicht.dhtml

{ 3 reacties… read them below or add one }

1 JH 22/04/2013 om 15:01

Het beroep op een gebrekkige grondslag in de Grondwet overtuigt niet: Artikel 32 Grondwet moet toch worden bezien in het licht van de vaststelling van dat artikel, dus met inbegrip van het overgangsrecht, waarin ook de eed voor Kamerleden was opgenomen.

Dat de Raad van State dit in het geheim met de schrijvers eens is, is waarschijnlijk bedoeld als grap: uit de Kamerstukken blijkt duidelijk dat openbaarmaking van het advies van de Raad van State achterwege is gebleven omdat het advies instemmend luidde: (Advies conform). Zie de voetnoot op de eerste pagina van Kamerstuk 21 209 (R 1373), nr. 3: http://resolver.kb.nl/resolve?urn=sgd%3Ampeg21%3A19881989%3A0007738

Staatsrechtelijk is dus minder bezwaar dan door de schrijvers wordt gesuggereerd. Wellicht dat de mening van de schrijvers over de wenselijkheid van de eedsplicht het juridische oordeel over de houdbaarheid daarvan in dit geval in de weg zit?

2 Yoeri Roosendaal 22/04/2013 om 22:50

Ik denk dat JH de spijker op z’n kop slaat. Het ontgaat mij waarom de wet van 1992 niet op artikel 32 Grondwet zou passen. Artikel 32 spreekt van een inhuldiging, die nader bij wet geregeld kan worden. Van oudsher houdt de inhuldiging in dat er een plechtige verklaring wordt afgelegd, die vervolgens wordt beëdigd of bevestigd door de aanwezige Kamerleden. Dat ís de inhuldiging. Kamerleden die wel komen, maar vervolgens zwijgen, doen dus helemaal niet ‘gezellig mee’, zoals de auteurs beweren.

Dat over het voortbestaan van de eed bij de grondwetsherziening discussie in de Tweede Kamer was, klopt. Maar laten we niet overdrijven. Een amendement van de PPR om de hele inhuldiging maar te schrappen werd alleen door CPN en PSP gesteund, samen goed voor maar liefst 6 van de 150 zetels. Inderdaad stelde de regering dat de gewone wetgever de inhuldiging nader kon regelen, zoals artikel 32 Grondwet ook stelt. De wetgever heeft ervoor gekozen de situatie bij het oude te laten. Zij had anders kunnen beslissen, maar deed dat niet en hoefde dat gelet op de grondwetsgeschiedenis ook niet. Dat de vaststelling van de wet van 1992 ‘curieus’ was, wil ik wel aannemen. Zeker van Jurgens, want die was er tenslotte bij als lid van de Tweede Kamer (vanaf februari 1990).

De inbreng voor het verslag vond overigens plaats in oktober 1989, ruim na de verkiezingen van dat jaar. Als klein christelijk, dat slechts over een paar zetels beschikte, dan al kan komen opdagen, dan geldt dat toch zeker voor de fractie van de PvdA met 49 zetels… Jammer dat de auteurs alleen de bijdrage van Wiebenga van de VVD bespreken. Juist die van Apostoulou van de PvdA is erg interessant, want één groot juichverhaal. Hij meldt dat de PvdA-fractie in de schriftelijke fase geen vragen heeft gesteld, omdat zij met het wetsvoorstel kan instemmen, en de vragen van de andere fracties zijn ook voortreffelijk beantwoord door de regering. Geen enkele kritische noot. Fractiegenoot Jurgens (dan al meer dan een jaar lid van de PvdA-fractie) had hier toch beter kunnen souffleren. Stemming vond niet plaats, dus niemand stemde tegen, ook Jurgens niet. Wel wat flauw om dan naar de Raad van State te wijzen.

In een eerdere reactie heb ik al gewezen op de verplichting ex de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer om nevenfuncties openbaar te maken. Die wet berust op artikel 63 Grondwet. Dat spreekt van ‘geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden’ die bij de wet geregeld kunnen worden. Een sanctie op overtreding van de openbaarmakingsverplichting is er niet, maar een wettelijke verplichting is het zeker. Of toch niet? Volgens Voermans en Jurgens mogen we de Grondwet niet ruim interpreteren. Openbaarmaking van nevenfuncties heeft niets met het regelen van geldelijke voorzieningen te maken, dus ik denk dat de auteurs zullen concluderen dat deze bepaling niet op de Grondwet steunt, ja zelfs ongrondwettig is. Ben benieuwd of ze deze conclusie delen.

Ik verwerp overigens dat op 30 april sprake is van een eed van trouw aan de Koning. De wet van 1992 spreekt van het handhaven van de onschendbaarheid en de rechten van het koningschap. Dat alles staat gewoon in de Grondwet, en die kan langs parlementaire weg gewijzigd worden zonder de eed te schenden. De wet van 1992 spreekt wel van ‘getrouwe Staten-Generaal’, maar dat dit slaat op trouw van het parlement aan de Koning lijkt me een vergezochte redenering. De wet spreekt namelijk één bepaling eerder van een ‘getrouw koning’ en daarmee is zeker niet bedoeld een koning die trouw is aan het parlement. ‘Getrouw’ betekent gewoon ‘niet verlatend (in tegenspoed)/’zijn plicht niet verzakend’. Zoals artikel 32 Grondwet spreekt van ‘getrouwe vervulling van het ambt’. Het gaat dus om loyaliteit aan de eisen die het ambt stelt. Met trouw in de zin van ondergeschiktheid heeft dat niets te maken. [de eed bij ambtsaanvaarding spreekt wel letterlijk van ‘trouw aan de koning’, maar dat is een heel ander verhaal]

Over aanpassing van de wet valt natuurlijk altijd te praten en ik denk dat er op zichzelf goede argumenten zijn om de inhuldiging anders te regelen. Het had zowel oud-Kamerlid Jurgens als de ‘zwijgers’ van 30 april gesierd als ze hun bezwaren niet alleen eerder hadden ingebracht, maar ook in het proces waar dat hoort: het wetgevingsproces.

3 WvdW 23/04/2013 om 04:44

Laat ik vooropstellen dat die hele eed van mij per direct uit beide wetten zou mogen worden geschrapt. Waarom het nuttig zou zijn om de leden van het parlement een eed van trouw te laten zweren aan een lid van de regering ontgaat mij ten enenmale. Ze zweren toch ook geen eed van trouw aan de rechterlijke macht? En dan zal ik me zometeen vast weer moeten laten corrigeren door staatsrechtelijke ijzervreter die vindt dat je een onderscheid moet maken tussen ’s Konings lidmaatschap van de regering en zijn functie als staatshoofd (hoewel de tekst van de Grondwet voor dat onderscheid overigens m.i. nauwelijks aanleiding geeft, dat zit meer in de doctrinevorming eromheen), maar dan nog: de negentiende eeuw is echt al een tijdje voorbij.
Toch voel ik mij helemaal niet thuis bij het betoog van WV. Volgens mij heeft de wetgever art. 32 GW zo uitgelegd dat deze zich kennelijk verdraagt met een wet als de hierboven genoemde. Bij gebrek aan een toetsende rechter zou ik denken dat als iemand zich bij dat oordeel zou moeten neerleggen, het toch de leden zijn van het orgaan die art. 32 GW van die uitleg voorzien heeft. Dat de betreffende wetsvoorstellen zijn ingediend in een demissionaire kabinetsperiode lijkt me echt een gelegenheidsargument. Kabinetten zijn misschien demissionair, Kamers niet.
Als alleen het CDA de wetsvoorstellen interessant genoeg vond om in eerste instantie te komen opdagen, dan zegt dat meer over de houding van de (overige) kamerleden dan over de geldigheid van de wet. Met zo’n redenering zouden we wel erg veel wetten terzijde kunnen schuiven of op zijn minst kunnen wegrelativeren.
Bovendien, als we dan toch in het wilde weg gaan dit soort politieke inactiviteit in onze juridische interpretatie meenemen: je zou ook kunnen betogen dat de overige partijen kennelijk zo weinig grondwettelijke problemen met dit voorstel zagen, dat ze niet eens de moeite namen substantiële inbreng te leveren. (Ik zeg niet dat deze redenering wel klopt, maar het is meer een aansporing om vooral bij de juridisch relevante feiten te blijven of op zijn hoogst bij de bijdragen die wel ingebracht zijn…)
Zoals hierboven – en volgens mij al eerder op dit weblog door MN – terecht voor voeten van de eedweigeraars geworpen: ‘put your money where your mouth is’; waar blijven de initiatiefwetsvoorstellen om de eedaflegging te veranderen? Mijn steun hebben ze.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: