Leeftijdsperikelen – ook in de rechterlijke macht

door IvorenToga op 02/07/2013

in Rechtspraak

Post image for Leeftijdsperikelen – ook in de rechterlijke macht

Wij zitten midden in de periode dat veel babyboomers met pensioen gaan. Het ene afscheid is nog niet achter de rug of het volgende staat alweer voor de deur. Ook in de rechterlijke macht valt dit fenomeen goed waar te nemen. Net als elders bereiken veel vertegenwoordigers van de vlak na de Tweede Wereldoorlog geboren generatie de leeftijd waarop ze met werken mogen, ja zelfs moeten stoppen. En in dat laatste onderscheid schuilt in dat wereldje een nog altijd niet aflatende discussie. Hoe zit dat?

Rechters mogen, net als iedere andere ambtenaar, op hun 65e (of eerder) met pensioen en komen dan als afnemers in het ABP-bestand terecht. Maar zij mogen ook tot hun 70e doorwerken. Dat is dan wel een absolute grens. Daarna is het je, zelfs als invlieg- of uitzendkracht, niet meer toegestaan recht te spreken. Ooit werd het nuttig gevonden rechters als “oude en wijze” mannen (en vrouwen) langer te laten werken dan de doorsneewerknemer. De leeftijd van 70 jaar moest dan echter wel het eindpunt zijn. (Zo relatief is de benoeming “voor het leven” dus.)
In een land als de Verenigde Staten heb je dit soort grenzen niet. Die worden als ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie beschouwd. Zo kun je in dat land nog rech-ters (en bijvoorbeeld ook hoogleraren aan universiteiten) tot op hoge leeftijd zien functioneren. Een paar jaar geleden verhaalde The New York Times van een 103-jarige rechter uit Kansas, die nog steeds zaken deed. Op enig moment had hij wel besloten alleen maar zaken aan te nemen waarover hij op de dag van de behandeling een uitspraak kon doen. Hij wilde niet het risico lopen dat hij plotseling zou overlijden en dat iemand anders zijn zaak dan moest afmaken. (Overigens heeft hij inmiddels het tijdelijke met het eeuwige verwisseld.)

Zo bont hoeven wij het in Nederland niet te maken. Zou er echter geen aanlei-ding bestaan aan die absolute grens te morrelen? Diverse van mijn inmiddels gepensioneerde en daartegenaan hikkende collega’s zouden dat maar wat graag willen en zeker een aantal van hen zou na zijn of haar 70e nog uitstekend kunnen functioneren. En waarom zou, nu de algemene pensioenleeftijd versneld van 65 naar 67 jaar wordt verplaatst, de grens voor rechters niet ook met, bijvoorbeeld, twee jaar kunnen worden verschoven? Waarom mogen onze bestuurders wel tot in eeuwigen dage doorgaan? En zou er sowieso niet meer flexibiliteit moeten zijn?
Dat laatste zou problemen kunnen opleveren. Vanwege de grondwettelijke onafhankelijkheid en de daarmee gepaard gaande benoeming voor het leven (binnen grenzen dus) is het alleen onder tamelijk extreme omstandigheden mogelijk rechters te ontslaan. Je zou een extra complicatie creëren door elk leeftijdsmaximum los te laten. Hoe ga je iemand vertellen dat hij “echt te oud” wordt en ermee moet ophouden? “Oud en wijs” in zaken van anderen wil lang niet altijd zeggen dat je dat ook bent, als het om je eigen positie gaat.

Maar een verlegging van het maximum tot 72 jaar zou toch moeten kunnen? Ja, maar ook hier schuilt een mogelijke hindernis. Ook al vindt een aantal rechters dat zij overbelast zijn, dat geldt niet voor iedereen. Bovendien is het de vraag of die overbelasting, als die er al is, zal blijven bestaan. Er zijn cijfers die zeggen dat het aantal zaken in sommige sectoren drastisch terugloopt. Procederen kost geld, en net als allerlei andere overheidsdiensten steeds meer. In de sectoren waar rechtzoekenden daarvoor moeten betalen, zouden wij weleens permanent een aanzienlijk geringere instroom kunnen krijgen, ook als de economie weer aantrekt. Dat betekent dat op den duur structureel minder rechters nodig zijn. Dan is het verschuiven van de “oprotleeftijd” geen logische stap. Het zou de doorstroom en instroom van jongere rechters belemmeren en daarop staat niemand te wachten.

Om alles nog ingewikkelder te maken heeft een deel van de rechters met een ex-tra fenomeen te maken: het zogenaamde Vendrikeffect. Dit komt erop neer dat zij die op het moment van of binnen ongeveer twee jaar na het bereiken van de 65-jarige leeftijd ermee stoppen, minder pensioen ontvangen dan zij die kort voor hun 65e of na die twee jaar de toga aan de wilgen hangen. Dit is het gevolg van een weeffout in de wetgeving, die ondanks veelvuldig aandringen nooit is hersteld. Waarschijnlijk zal het ook niet meer gebeuren, want het effect geldt al-leen voor hen die voor 1 januari 1950 zijn geboren. Die categorie is over ander-half jaar 65-plusser.
Diverse rechters die het risico van een verminderd pensioen niet willen lopen, nemen kort voor hun 65e afscheid en hopen dan nog een aantal jaren met be-houd van pensioen en op basis van een vergoeding per zitting als zogenaamde rechter-plaatsvervanger voor een deel van de tijd te kunnen blijven werken. Als echter de instroom van zaken aanzienlijk blijft afnemen, zullen ze toenemend moeten worden behandeld door rechters die nog volop in bedrijf zijn.

Kortom, zo heeft elke categorie werkenden zijn eigen problemen met de leef-tijdsgrenzen op te lossen.

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter rechtbank Amsterdam

Deze post is de onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 a.zecha 12/07/2013 om 21:21

Het zogenaamde Vendrikeffect werd inderdaad van staatswege nooit gecorrigeerd vermits m.i. het staatsinkomen erdoor nadelig wordt beïnvloed.
Het “markt gericht denken” zit kennelijk de partijvertegenwoordigers in regering en Staten Generaal in het bloed hetgeen overigens minder tot uitdrukking komt bij het opstellen van creatieve begrotingen bij diverse grote politieke prestigieuze projecten. I.e. de neiging om een te grote broek aan te trekken lijkt mij dan een dominant gen te zijn.
a.zecha

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: