Lekker niet-ontvankelijk

door JAdB op 29/05/2009

in Bestuursrecht

Als je in het bestuursrecht een bezwaar of beroep beoordeeld wilt zien, zul je moeten voldoen aan harde, in de wet neergelegde eisen. Zo gelden onder meer strikte termijnen. Na bekendmaking van een besluit moet je daartegen binnen zes weken bezwaar instellen. Haal je deze termijn niet, dan moet je een heel goed excuus hebben, want anders wordt het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bijvoorbeeld: “ik lag in coma en mijn huis was afgebrand op de dag dat het besluit daar per post was bezorgd”. Maar niet: “ik hoorde dat mijn broer was doodgeschoten, het instellen van beroep was ik toen helemaal vergeten” (ABRvS 17 september 2008, AB 2008, 353). Deze strikte ontvankelijkheidsleer (in ieder geval voor wat betreft de termijnen) van de bestuursrechter komt voort uit het rechtszekerheidbeginsel. Op een gegeven moment moet het zeker zijn dat bepaalde (publiekrechtelijke) rechtsgevolgen in het leven zijn geroepen, zonder dat daar nog aan kan worden getornd.

Er bestaan nog andere ontvankelijkheidseisen. Zo moet een bezwaarschrift zijn ondertekend. Een bezwaarschrift moet ook inhoud bevatten. Een tijdig ingediend bezwaar- of beroepsschrift, dat niet aan deze eisen voldoet, is niet direct niet-ontvankelijk. Er bestaat nog een herstelmogelijkheid. Over het bestaan van de hierboven genoemde ontvankelijkheidseisen bestaat geen discussie. Ze zijn expliciet als zodanig opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht.

Het wordt interessant als rechters zelf ontvankelijkheidseisen bedenken. Zie bijvoorbeeld Rb. Utrecht 5 juni 2007, LJN BA 6725. Die zaak handelde om een niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank. Hoewel er door een BV een inhoudelijk beroepschrift was ingediend, vroeg de rechtbank om een aantal nadere stukken. Degene die het beroepschrift had ingediend was geen advocaat, dus er werd om een machtiging gevraagd. Ook moest nog een uittreksel uit de kamer van koophandel worden overlegd. Dit alles binnen een bepaalde termijn.

De machtiging werd tijdig opgestuurd, maar appellante stuurt het kvk-uittreksel veel te laat toe. Appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank onderbouwt zijn oordeel door (kort gezegd) de volgende redenering: de mogelijkheid om beroep in te stellen is gegeven aan bepaalde personen (bijvoorbeeld de geadresseerde van een besluit). Andere personen zijn daartoe niet bijvoegd. In dit geval diende een derde, die stelde gemachtigd te zijn door de betrokken BV, het beroep in. Onduidelijk was dus of deze derde wel bevoegd was tot het instellen van dit beroep. Daarom wilde de Rb. een machtiging hebben. Maar ook een kvk-uittreksel was noodzakelijk, want de Rb. moet immers in staat gesteld worden om te controleren of een machtiging ook is afgegeven door iemand die bevoegd is de BV te vertegenwoordigen. Dat uittreksel werd niet op tijd overlegd, zodat niet op tijd is vast komen te staan dat degene die beroep instelt ook daartoe bevoegd is.

Ik heb een aantal problemen met deze uitspraak.
1. Het overleggen van machtigingen of uittreksels uit het handelsregister is volgens de wet niet een vereiste voor ontvankelijkheid. De Rb. creëert hier zelf ontvankelijkheidsvereisten.
2. Dat het overleggen van een machtiging tot ontvankelijkheidsvereiste wordt gemaakt, daar kan ik me nog wel iets bij voorstellen. Bij het overleggen van een uittreksel uit het handelsregister niet. Kenmerk van het handelsregister is immers dat het openbaar is. Iedereen kan erbij om op te zoeken wie bevoegd is te handelen namens een vennootschap. Ook de rechtbank dus, en dat had wat mij betreft best gemogen en zelfs gemoeten.

Voor zover ik kan zien is er geen hoger beroep ingesteld. Dus, zoals Ben Olivier zou zeggen: “lekker niet-ontvankelijk!”.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: