Levend staatsrecht? Op uitnodiging van de Kamer

door LD op 13/11/2009

in Haagse vierkante kilometer

“Het is zo: de Kamer gaat over het organiseren van debatten. Dat erken ik ten volle. En het kabinet gaat over de vraag wie wordt afgevaardigd. Zo zijn de spelregels in de verhouding Kamer-regering.”

Deze woorden sprak onze minister-president afgelopen vrijdag na afloop van de ministerraad. Op dit blog kon u daar eerder al over lezen en naar kijken. Aanleiding voor de opmerking van de premier was zijn ergernis over het feit dat hij wel erg vaak naar de Tweede Kamer wordt geroepen. Tegen die achtergrond komt bovenstaand citaat heel redelijk voor. De Kamer kan altijd debatteren, er zal altijd een minister of staatssecretaris worden gestuurd, maar het is aan het kabinet om te bepalen welke personen dat zullen zijn. Maar snijden de opmerkingen van de premier staatsrechtelijk bezien hout?

Het antwoord moet ontkennend luiden. In casu is artikel 69 lid 2 van Grondwet relevant. Dit lid bepaalt:

“Zij [de ministers en staatssecretarissen] kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.”

Het gebruik van het werkwoord ‘uitnodigen’ suggereert ten onrechte dat de genodigde bewindspersoon de vrijheid heeft om al dan niet te verschijnen. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt duidelijk dat de bepaling een veel dwingender karakter heeft. “De term ‘uitnodigen’ houdt, evenals onder de oude Grondwet [die van 1972], in dat op de ministers en staatssecretarissen de plicht rust om ‘binnen de grenzen van het mogelijke’ aan een uitnodiging gevolg te geven”, aldus Kortmann in zijn commentaar op de Grondwetsherziening van 1983, waarbij hij verwijst naar de relevante Kamerstukken en Handelingen. Er is dus in principe sprake van een verschijningsplicht voor bewindslieden als de Kamer hun aanwezigheid gewenst acht. Dit geldt zowel voor de Tweede als voor de Eerste Kamer.

De verschijningsplicht komt slechts dan te vervallen indien het voor de genodigde bewindspersoon buiten de grenzen van het mogelijke valt om op te komen dagen voor een gedachtewisseling met de Kamerleden. Het lijkt mij aannemelijk dat het de Kamer is die oordeelt of een minister of staatssecretaris een geldig excuus heeft om bij een debat weg te blijven. De situatie is hier anders dan bij artikel 68 Grondwet, dat bepaalt dat door Kamerleden gevraagde inlichtingen moeten worden verstrekt, tenzij dat verstrekken in strijd is met het belang van de staat. Hier is het de verantwoordelijke minister of staatssecretaris die moet beoordelen of het belang van de staat in het geding is. Hij of zij beschikt immers over de relevante informatie om een afweging te maken, de Kamer niet. De Kamer kan natuurlijk besluiten dat zij de handelwijze van de minister of staatssecretaris niet accepteert en het vertrouwen in hem of haar opzeggen, maar dat is wat anders dan (kunnen) beoordelen of het belang van de staat in het geding is of niet. Bij artikel 69 lid 2 Grondwet speelt dat probleem niet: de Kamer krijgt daar als het goed is netjes een gemotiveerde afzegging en kan dan beoordelen of de aangevoerde redenen zwaar genoeg wegen.

Het voorgaande neemt natuurlijk niet weg dat de Kamer niet over dwangmiddelen richting onwillige bewindslieden beschikt. De Kamervoorzitter kan niet de sterke arm te hulp roepen om de premier naar Vak K te slepen. Dat alles neemt echter niet weg dat een staatsrechtelijk onderlegde premier weet wat zijn Grondwettelijke plichten zijn. Laat hij vooral niet uit frustratie zijn persoonlijke opvattingen als parlementaire spelregels proberen te verkopen.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 LD 17/11/2009 om 21:20

Reactie achterlaten

{ 2 trackbacks }

Vorige post:

Volgende post: