Lijn van het vonnis in de Wilders-zaak bevestigd

door Ingezonden op 12/12/2011

in Rechtspraak, Uitgelicht

Post image for Lijn van het vonnis in de Wilders-zaak bevestigd

Op 8 december jongstleden wees de Rechtbank Amsterdam vonnis in een zaak waarin opnieuw het zogenaamde ‘haatzaaien’ (art. 137d Wetboek van Strafrecht) in geding was. Het betrof uitlatingen op een website, waarin de joodse bevolkingsgroep in denigrerende termen werd beschreven. Deze terminologie maakte deel uit van een vergelijking tussen de houding ten opzichte van de joden toen en de houding ten opzichte van immigranten nu. Interessanter zijn de overwegingen die de rechtbank wijdt aan de vereisten voor het aanzetten tot haat. Er moet volgens de rechtbank sprake zijn van een zekere kwaadaardigheid en van opruiing. Daarom moeten er in de tekst voldoende krachtige termen aanwezig zijn.

Men hoeft geen exegeet te zijn om de grote gelijkenis vast te stellen met de overwegingen van de rechtbank in casu Wilders. Daar had de rechtbank uit het gelijkstellen van ‘opruien’ met ‘aanzetten tot’ en uit het feit dat haat moet worden gekenschetst als een extreme emotie van afkeer en vijandigheid afgeleid dat een uitlating in beginsel altijd een ‘krachtversterkend element’ dient te bevatten, alvorens er sprake kan zijn van aanzetten tot haat. Deze lijn wordt hier door drie andere rechters van de rechtbank bevestigd. Mogelijkerwijs dat het OM in dit geval de kans aangrijpt om in hoger beroep te gaan, zodat ook hogere instanties zich kunnen buigen over de uitleg van art. 137d Wetboek van Strafrecht.

Overigens werd de verdachte wegens een andere uitlating die betrekking had op de holocaust wel veroordeeld voor groepsbelediging (art. 137c Wetboek van Strafrecht).

Aernout Nieuwenhuis

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: