Maatschappelijke ontwikkelingen en rechtsvorming

door FTG op 07/07/2010

in Grondrechten, Rechtspraak

David Souter, oud-rechter bij het Amerikaanse Supreme Court stelde in een toespraak de vraag aan de orde of een “plain meaning” interpretatie van de Amerikaanse constitutie een realistische manier van rechtsvinding is. Hij meent van niet. De “plain meaning” interpretatie houdt in dat een rechter kijkt naar de prima-facie betekenis van de constitutie.

Deze benadering is volgens Souter te simplistisch. Hij noemt twee argumenten. In de eerste plaats beschermt de constitutie allerlei botsende belangen. In Nederland kennen we dat probleem ook. Het recht op vrijheid van godsdienst botst soms met het recht op gelijke behandeling of het recht op vrijheid van meningsuiting. Dat betekent volgens Souter dat je de reikwijdte van die rechten nooit kunt vaststellen door alleen te kijken naar de woorden waar die rechten in geformuleerd zijn, maar dat je die rechten in onderling verband moet bekijken.

Hij noemt als tweede punt dat ook maatschappelijke ontwikkelingen invloed kunnen hebben op de vaststelling van de betekenis van de constitutie. Als voorbeeld gebruikt hij twee uitspraken van het Supreme Court: Plessy v. Furguson uit 1896 en Brown v. Board of Education uit 1954. Beide uitspraken gaan over rassenscheiding. Plessy ging over de vraag of het in strijd is met de gelijke behandeling als zwarten verplicht zijn in een apart treinstel te reizen. In 1896 oordeelde het Supreme Court dat dit niet het geval was, zolang de treinstellen voor zwarten en blanken maar van gelijke kwaliteit waren. Op het argument dat de aparte treinstellen de indruk wekken dat zwarten inferieur zijn, antwoordde het Hof dat een dergelijke gevolgtrekking slechts “a product of their own minds” was.

Brown, zestig jaar later, ging over gescheiden scholen voor zwarten en blanken. In die uitspraak kwam het Hof wel tot de conclusie dat dit niet toegestaan is. Hoe is dat verschil met Plessy te verklaren, vraagt Souter zich af? De tekst van de constitutie was in de tussentijd op dit punt immers niet veranderd. De verklaring zit hem volgens Souter in de veranderde omstandigheden. De rechters uit 1896 hadden de slavernij nog meegemaakt. Zij zagen de formele gelijkheid, het recht om in een identiek, zij het gescheiden, treinstel te reizen, als een vooruitgang. De rechters uit 1954 zagen de gescheiden scholen echter vooral als een uitdrukking van de minderwaardigheid van zwarten, zodat dit op dat moment in strijd was met de constitutie.

Dit klinkt als een zeer plausibele verklaring voor het verschil tussen beide uitspraken. Het roept echter ook vragen op. De meest prangende is wel of maatschappelijke veranderingen het recht kunnen wijzigen. Het scheppen van recht is immers een bewuste daad van mensen. Mensen maken wetten, of vormen jurisprudentie en daaruit vloeit het recht voort. Maatschappelijke ontwikkelingen vormen echter geen rechtsbron. Evenmin zijn maatschappelijk ontwikkelingen feitelijk in staat (en trouwens ook niet bevoegd) om recht te vormen. Hoe zit dat?

Het eenvoudige antwoord is dat het niet de maatschappelijke ontwikkelingen waren die in bovenstaand voorbeeld het recht veranderden, maar het waren de rechters van het Supreme Court die het recht veranderden. De wijziging is een keuze van rechters, zij het dat die keuze ingegeven kan worden door de maatschappelijke ontwikkelingen. In een arrest van de Hoge Raad uit 1995 (NJ 1996, 163) was de vraag aan de orde of een bepaalde compensatieregeling, die volgens een toen geldende regeling van toepassing was op gehuwden, ook van toepassing was op ongehuwd samenwonenden. De maatschappelijke ontwikkelingen gaven volgens de Hoge Raad aanleiding om die vraag bevestigend te beantwoorden. Toen de regeling tot stand kwam woonde vrijwel niemand samen, maar in 1995 was het heel gebruikelijk om ongehuwd samen te wonen.

Hierdoor verandert het recht. Dat recht is echter niet veranderd door de maatschappelijke ontwikkelingen, maar door de rechter. Dit gegeven geeft, vooral in de Amerikaanse literatuur, aanleiding om de rechter te beschuldigen van “activisme”. Hij past niet de wet toe, maar stelt zijn eigen mening daarvoor in de plaats. Toch is een meer terughoudende intepretatie in dit type gevallen vaak ook op een keuze van de rechter gebaseerd en evenzeer rechtsvormend.

Dat blijkt uit sommige gevallen waarin de rechter bewust niet de maatschappelijke ontwikkelingen betrekt bij een uitspraak, zoals het geval is in een arrest uit 1990 (NJ 1992, 129). Het ging hier om twee vrouwen die (voor de invoering van het homohuwelijk) wilden trouwen. Zij deden een beroep op de tekst van de wet, die een huwelijk tussen mensen van hetzelfde geslacht op zich niet verbood en op de maatschappelijke ontwikkelingen. De Hoge Raad vond die argumenten echter niet opwegen tegen de onmiskenbare strekking van de wet, die inhield dat een huwelijk iets was tussen een man en een vrouw.

Ook dit is een keuze. De Hoge Raad had namelijk ook kunnen beslissen dat, gezien de maatschappelijke ontwikkelingen, de wet nu zo gelezen moest worden dat ook een huwelijk tussen twee vrouwen is toegestaan. Een dergelijke uitspraak zou rechtsvormend geweest zijn. De keuze om dit niet te doen is in dit geval echter ook rechtsvormend. Juist door die maatschappelijke ontwikkelingen was het immers niet meer duidelijk of de wet een dergelijk huwelijk nu wel of niet toestond. De wet dwong de rechter dus niet tot een bepaald oordeel, maar liet de vraag onbeantwoord. Als de wet niet één duidelijk antwoord geeft, dan moet de rechter zelf een keuze maken en die keuze zal rechtsvormend zijn, welke kant de rechter ook opgaat.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: