Manifest 2. Waarom het verlies van de Nederlandse strafkamer schadelijk uitpakt

door IvorenToga op 14/08/2013

in Rechtspraak, strafrecht

Post image for Manifest 2. Waarom het verlies van de Nederlandse strafkamer schadelijk uitpakt

1. De rechterlijke organisatie in de jaren negentig lijkt vanuit hedendaags managementperspectief een gotspe. Tussen strafkamers deden zich grote verschillen voor, op grond van anciënniteit kwamen er soms wonderlijke voorzitters bovendrijven, sturing leek onmogelijk, voor elk willekeurig flut onderwerp, zoals de keuze voor het vervoer van dossiers, moest draagvlak worden gevonden. Die grote verdeeldheid en de geringe bereidheid van rechters om water bij de wijn te doen, leidde tot een vlucht in het gerechtelijk management.

2. Strafkamers werden ontmanteld, rechters werden kriskras door de sector of in het team ingeroosterd teneinde de verkokering van weleer te doorbreken en vele managementmethodes werden ingevoerd. Vakanties en verlof moesten worden aangevraagd, op een heuse kaart aangetekend en afgetekend, rechters gingen kamers delen en dienden op het werk aanwezig te zijn. Het appointeren van strafzaken (agenderen) werd opgedragen aan ondersteunende medewerkers, al dan niet in samenspraak met ondersteunend personeel van het openbaar ministerie. Tijd en duur van de strafzaak werden vóór de strafrechter bepaald, inroostering vond plaats door een centrale roosteraar, het bestuur betrad het domein van de strafrechter door allerhande richtlijnen en uitgangspunten af te spreken. Een mijlpaal werd bereikt toen de bestuurders zonder enige ruggespraak met de rechterlijke achterban op 1 januari 2012 het strafprocesreglement invoerden met vergaande boodschappen voor de buitenwereld wanneer een strafzaak wel of niet zou worden aangehouden bij verhindering van de raadsman. Een ander voorbeeld biedt de interne beleidsmaatregel om bij het intrekken van het hoger beroep binnen 7 dagen voor de zitting toch een arrest te wijzen (en geld te incasseren). De laatste invasie op het terrein van de strafrechter dateert van 1 januari 2013 toen de persrichtlijn werd ingevoerd, waarbij zonder ruggespraak met de strafrechters uitvoerige voorschriften zijn vastgesteld over de opnames in de zittingzaal.

3. De groeiende dominantie van bestuur en management heeft in nog geen decennium geleid tot veel verambtelijkte rechters die hun uren en zittingslast tellen, het appointement van de zitting te zwaar bevinden, de uitwendige verschijningsvormen van overleg geringschatten en met een gegroeide wantrouwende houding meer informatie wensen. Door de geringere band tussen leiding en rechter ontstaan nieuwe moeilijk te bestrijden beelden en mythen over wat de leiding al niet doet met cijfers enz. Historisch verklaarbare rationaliseringsprocessen worden aldus – ten onrechte – een malicieus karakter toegedicht.

4. Niet alleen de gerechtscultuur, vanzelfsprekend mede vormgegeven door de tijdgeest waarvan rechters onderdeel vormen, ook de beheersmatige kosten van rechtspraak en strafproces zijn snel verslechterd. Ondanks, misschien wel mede door, de centrale zittingsplanning is de uitval van strafzaken exorbitant te noemen, zeker in het licht van de inzet dat het management de strafzaken beter kan plannen dan de vroegere voorzitters van de strafkamers. Over de redenen van uitval heb ik veel geschreven, zie mijn oratie Organiseren en verantwoorden door de strafrechter, maar in de kern is de centrale oorzaak dat ter zitting de strafzaak frequent niet rijp voor behandeling is en er voor de zitting geen rechter aan te pas komt om de uitval tijdig te signaleren en een andere zittingsklare zaak in te plannen. De uitbundig vele miljoenen Euro’s verlies verklaren in belangrijke mate de toegenomen zittingsdruk om toch het jaarlijks afgesproken aantal vonnissen en arresten te halen.

5. De majeure veranderingen hebben de bewoners van de paleizen van justitie getransformeerd in een klagerige bureaucratie. Bestuurders kampen met een slechte begroting, slechte doorlooptijden van strafzaken, met een klagerige of nog erger met een onverschillige achterban en rechters kampen met managers en bestuurders die de slechte resultaten bemantelen, rechters op kousevoeten tegemoet treden en die niet daadwerkelijk aanstalten maken om de ontwikkeling van de organisatie en van de rechtspraak gezamenlijk vorm te geven.

6. Met een amorfe achterban, zonder vaste en vertrouwde eenheden als de strafkamers, is het moeilijk overleggen, zeker in grote gerechten. Met alle nadelen van het smoezelige badwater van de vroegere strafkamer werd met de nieuwe structuur ook het sectorale cement van de strafkamer weggegooid.

7. Het ongemak en de frustraties over de als zodanig ervaren benoemings- en bevelsstructuur leidde tot het andere manifest van het grotendeels anonieme klagende deel der rechterlijke natie die van hun manifest manna uit de bestuurlijke hemel verwachten en dat in een tijd van teruglopende overheidsfinanciën. Deze reactie was te verwachten en heb ik enkele jaren geleden reeds beschreven, maar de oplossing is niet eenvoudig. De bestuurders buigen zich het hoofd over nieuwe bestuurlijke inspanningen en overhead om de werkvloer in de door hen gewenste richting te mobiliseren en de groep klagers wachten af. Wie neemt verantwoordelijkheid om met de bestaande structuur en cultuur en zonder extra financiën de hand aan de ploeg te slaan?

8. Die gedeelde verantwoordelijkheid zou kunnen aanvangen met het besef dat de grootschalige organisatie van de strafrechtspraak, met inbegrip van de bureaucratische overhead, de verwachtingen van rond de eeuwwisseling nog niet heeft ingelost. Voorts zou het wijs zijn om de hoge tol te benoemen: slechtere doorlooptijden en hogere aanhoudingspercentages dan ten tijde van de klassieke strafkamer. Tot slot zou de leiding durf vertonen door de klagerige rechters niet alleen tegemoet te treden met deze twee bekentenissen maar ook met de vaststelling dat de thans in formele zin passief gemaakte of geworden strafrechter met zijn overtrokken verwachtingen evenmin meehelpt aan het bouwen van een volwassen organisatie. Het zou helpen als deze boodschappen niet met een beschuldiging of neerdrukkend schuldbesef gepaard gaan. Wie logica in ontwikkelingen ontwaart denkt in bijstellingen van rationaliseringsprocessen en probeert zoveel mogelijk emoties uit het debat te halen. Daarover gaat het slot van dit drieluik dat morgen verschijnt.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Deze post is de onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: