Martelende angst voor de doodstraf

door GB op 23/03/2010

in Grondrechten, Rechtspraak

Die theedrinkers aan de andere kant van de Noordzee zijn ook niet mis. Hun ‘stevige aanpak’ leverde hen onlangs een veroordeling in Straatsburg op wegens schending van artikel 3 EVRM. In eenvoudig Nederlands: schending van het folterverbod. Het ging echter niet om Abu-Graib-achtige toestanden in Britse cellen, maar om de overdracht van twee Iraakse gevangen, Faisal Al Saadoon en Khalaf Mufdhi, aan de Iraakse autoriteiten. Daarbij liepen deze Iraki’s een gerede kans om de doodstraf opgelegd te krijgen, en uitlevering aan doodstraf-landen kan door het Hof ‒ onder omstandigheden ‒ als een vorm van foltering worden beoordeeld. Ook in deze zaak rust de veroordeling op artikel 3: de reële angst om geëxecuteerd te worden moet dermate intens psychisch lijden veroorzaakt hebben dat het marteling oplevert. Ik vraag me wel af of dat nu een gelukkige onderbouwing is. Hoe weet het Hof zo zeker dat een mislukte zelfmoordterrorist niet juist hoopt om de doodstraf te krijgen? Of de doodswens van een levenslang veroordeelde? Mij lijkt beschaving bij de straffende partij een betere basis voor een doodstrafverbod dan veronderstelde levenslust bij de bestrafte.

Het Hof heeft ook een veel fundamentelere weerzin tegen de doodstraf,  ‘the deliberate and premeditated destruction of a human being’. Het liefste wil het ‒ zo komt het mij voor ‒ de doodstraf voor eens en voor altijd buiten de Europese orde verklaren. Op zich heeft het Hof wel vaker, met de living-instrument-doctrine als breekijzer, het niveau van mensenrechtenbescherming opgekrikt. Maar in het geval van de doodstraf ligt dat problematischer. In de eerste plaats laat de tekst van artikel 2 (het recht op leven) met zoveel woorden de mogelijk van een doodstraf open en in de tweede plaats is de doodstraf voorwerp van twee protocollen: nummer 6 en nummer 13. Het eerste schaft de doodstraf in vredestijd af, het tweede de doodstraf in oorlogstijd. Deze protocollen zijn in toenemende mate ondertekend (het Verenigd Koninkrijk is partij bij beide protocollen), maar nog niet door iedereen. Rusland moet Protocol 6 nog ratificeren en heeft ‒ samen met Azerbeidzjan ‒ Protocol 13 nog niet getekend.

De vraag is in hoeverre deze jongste uitspraak van het Hof de doodstraf verder in de ban heeft gedaan dan al het geval was. In ieder geval kiest het Hof niet simpelweg voor het afleiden van een uitleveringsverbod uit de voor het Verenigd Koninkrijk geldende protocollen. Wat er wel gebeurt vraagt enig puzzelwerk. Een paar overwegingen:

120. It can be seen, therefore, that the Grand Chamber in Öcalan did not exclude that Article 2 had already been amended so as to remove the exception permitting the death penalty. Moreover, as noted above, the position has evolved since then. All but two of the Member States have now signed Protocol No. 13 and all but three of the States which have signed have ratified it. These figures, together with consistent State practice in observing the moratorium on capital punishment, are strongly indicative that Article 2 has been amended so as to prohibit the death penalty in all circumstances. Against this background, the Court does not consider that the wording of the second sentence of Article 2 § 1 continues to act as a bar to its interpreting the words “inhuman or degrading treatment or punishment” in Article 3 as including the death penalty.

123. The Court further reiterates that expulsion by a Contracting State may give rise to an issue under Article 3, and hence engage the responsibility of that State under the Convention, where substantial grounds have been shown for believing that the person concerned, if deported, faces a real risk of being subjected to treatment contrary to Article 3. In such a case Article 3 implies an obligation not to deport the person in question to that country. Similarly, Article 2 of the Convention and Article 1 of Protocol No. 13 prohibit the extradition or deportation of an individual to another State where substantial grounds have been shown for believing that he or she would face a real risk of being subjected to the death penalty there.

137. Protocol No. 13 came into force in respect of the United Kingdom on 1 February 2004. The Court considers that, from that date at the latest, the respondent State’s obligations under Article 2 of the Convention and Article 1 of Protocol No. 13 dictated that it should not enter into any arrangement or agreement which involved it in detaining individuals with a view to transferring them to stand trial on capital charges or in any other way subjecting individuals within its jurisdiction to a real risk of being sentenced to the death penalty and executed. Moreover, it considers that the applicants’ well-founded fear of being executed by the Iraqi authorities during the period May 2006 to July 2009 must have given rise to a significant degree of mental suffering and that to subject them to such suffering constituted inhuman treatment within the meaning of Article 3 of the Convention.

Allereerst ruimt het Hof het tekstuele bezwaar uit artikel 2 EVRM tegen een doodstraf-uitsluitende interpretatie van artikel 3 EVRM uit de weg. Er wordt niet langer op Rusland gewacht. De weg ligt open naar een doodstrafverbod dat rechtstreeks onder het bereik van artikel 3 EVRM valt, en de doodstraf dus zowel in tijden van oorlog als in tijden van vrede en zowel in lidstaten waar het 13e Protocol van kracht is als in Azerbeidzjan verboden is. Het is de vraag of het Hof meteen al van deze mogelijkheid gebruik maakt. Ik zou zeggen dat dat uit de laatste zin van overweging 137 wel af te leiden is. Voor de martelende angst om geexecuteerd te worden maakt het volgens mij niet niet uit of dat nu om een uitlevering aan de Iraki’s gaat of om een home-grown-hanging. Verder schaart het Hof ook onder artikel 2 EVRM (en artikel 1 van het 13e Protocol) een uitleveringsverbod. Toch werken ze de vraag of ook onder artikel 2 veroordeeld moet worden niet uit.

In deze zaak speelden verder nog andere interessante complicaties. In de eerste plaats wees de Britse regering erop dat zij in Irak zaten om de Iraakse overheid te helpen op basis van een Memorandum of Understanding met deze overheid. Ik weet (te) weinig van het internationaal recht om deze internationale verplichtingen op hun precieze waarde te schatten, maar het Hof heeft er in ieder geval niet veel boodschap aan. Een lidstaat kan niet onder zijn EVRM-verplichtingen uitkomen door andersluidende internationale verplichtingen aan te gaan. Maar bovendien vindt het Hof dat de Britse regering concreet veel te weinig gedaan heeft om de Iraki’s ervan te overtuigen de doodstraf voor de beide betrokken heren uit te sluiten. Eigenlijk zijn ze pas begonnen de Iraakse regering te bewerken nadat de procedure al begonnen was.

De tweede complicatie was dat het EHRM op een zogenaamde ‘interim measure’ had afgegeven om te voorkomen dat de overdracht zou plaatsvinden. Toch gebeurde dat niet veel later wel. Veel directer kan het Hof eigenlijk niet geraakt worden.

Een ‘interim measure’ is een wat mystieke figuur. De geschreven rechtsbasis is een procedureregel van het Hof waarin zij de bevoegdheid hebben ‘to indicate’ wat nodig is om ervoor te zorgen dat het EHRM zijn werk nog fatsoenlijk kan doen. Later heeft het Hof die ‘indications’ versterkt, door het negeren ervan onder artikel 34 EVRM te schuiven:  de verplichting om de doeltreffende uitoefening van het klachtrecht niet te belemmeren. Dus: ‘take all steps which could reasonably have been taken in order to comply with the interim measure’ of wees verzekerd van een veroordeling onder artikel 34 EVRM. Voor het Verenigd Koninkrijk geldt het laatste. Hun argument dat ze uit respect voor de Iraakse soevereiniteit niets anders konden dan overdragen was al weerlegd. Maar ook de ‘interim measure’ had serieuzer genomen moeten worden. Bijvoorbeeld door bij de Iraakse overheid te pleiten voor een beetje ruimte voor het Hof. ‘They have not informed the Court, for example, of any attempt to explain the situation to the Iraqi authorities and to reach a temporary solution which would have safeguarded the applicants’ rights until the Court had completed its examination.’

Ten slotte merkt het Hof op dat de klagers nog altijd in een Iraakse cel zitten te vrezen voor de doodstraf. De verplichtingen uit artikel 3 brengen dan in de opvatting van het Hof mee dat de Britse regering nog altijd ‘all possible steps’ moet nemen om hen uit die martelende onzekerheid te verlossen door de Iraakse overheid te laten beloven dat ze doodstraf niet zullen opleggen. De Britten moeten dus nog een kopje thee gaan drinken bij de Iraakse regering.

[NB: Ik weet dat er zich op dit blog ook veel beter ingevoerde specialisten bewegen. Ik geef het bovenstaande graag voor een betere interpretatie!]

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: