Martelende angst voor marteling

door GB op 15/06/2010

in Buitenland, Decentralisatie, Rechtspraak, Uitgelicht

Een 27-jarige Duitse rechtenstudent, Magnus Gäfgen, ontvoert Jakob von Metzler, een 11 jarig bankierszoontje. Magnus vermoordt Jakob direct en verstopt zijn lijk. De ouders laat hij echter weten dat hun zoontje ontvoerd is en dat zij een miljoen euro losgeld moeten betalen om hun zoontje weer terug te zien. De ouders betalen het losgeld en de politie zorgt dat ze Gäfgen volgen sinds hij het losgeld heeft opgehaald. Ze achterhalen echter niet de verblijfplaats van het jongetje, zodat ze Magnus uiteindelijk oppakken. Bij doorzoeking van zijn flat vinden ze een deel van het losgeld en aantekeningen over het misdrijf. Gäfgen vertelt niet waar zijn slachtoffer zich bevindt. De politie gaat ervan uit dat Magnus in zijn eentje handelt en dat Jakob (dus) op het punt staat om aan onderkoeling en of ondervoeding te overlijden. 

Wat doe je dan?

De politie is nog van plan hem te confronteren met een oudere zus van Jakob, voor wie Magnus een zwak schijnt gehad te hebben. Maar niet iedereen wil daar op wachten. Een politieagent bedreigt Magnus met ‘pijn die hij nog nooit gevoeld heeft’, en is ook van plan om iemand te laten komen om de daad bij het woord te voegen. Magnus breekt echter al na 10 minuten voor de dreiging met de marteling en vertelt dat hij Jakob vermoord heeft. Hij wijst vervolgens het lijk aan. Van daadwerkelijke fysieke marteling is geen sprake geweest. Wel van dreiging daarmee. Is dat in dit geval te billijken?

Het verbod van marteling is de heilige kern van de mensenrechtenbescherming, en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is daarvan de profeet. Het was dan ook de Grote Kamer zelf die de zaak uiteindelijk beoordeelde. In zekere zin was het hen makkelijk gemaakt, omdat drie Duitse rechtbanken al geconstateerd hadden dat sprake was van marteling in de zin van artikel 3 EVRM. Het Hof voegt daar nog een ferm statement aan toe over het verbod van marteling als een ‘inalienable right’ :

The Court accepts the motivation for the police officers’ conduct and that they acted in an attempt to save a child’s life. However, it is necessary to underline that, having regard to the provision of Article 3 and to its long-established case-law (see paragraph 87 above), the prohibition on ill-treatment of a person applies irrespective of the conduct of the victim or the motivation of the authorities. Torture, inhuman or degrading treatment cannot be inflicted even in circumstances where the life of an individual is at risk. No derogation is allowed even in the event of a public emergency threatening the life of the nation. Article 3, which has been framed in unambiguous terms, recognises that every human being has an absolute, inalienable right not to be subjected to torture or to inhuman or degrading treatment under any circumstances, even the most difficult.

Het Hof houdt dus zijn rug recht, wellicht ook in de richting van de theoretici van het zogenaamde ‘tikkende-bom-scenario’. Daarin wordt een uitzondering op het verbod van marteling voor mogelijk gehouden als uiterste redmiddel in geval een terrorist halverwege zijn daad wordt opgepakt en niet wil prijsgeven waar hij zijn bom geplaatst heeft. Het niet op een andere manier vermijdbare verlies van vele onschuldige mensenlevens zou dan een incidentele marteling rechtvaardigen. Alleen als uiterste redmiddel uiteraard, en nooit heftiger dan nodig om het dreigende gevaar af te wenden enzovoort, maar toch: marteling. Het Hof stelt daar tegenover:

The philosophical basis underpinning the absolute nature of the right under Article 3 does not allow for any exceptions or justifying factors or balancing of interests, irrespective of the conduct of the person concerned and the nature of the offence at issue.

Dan neemt het Hof gas terug. Het gedrag van de Duitse politieagenten is dan wel ‘inhuman treatment prohibited by Article 3, but that it did not reach the level of cruelty required to attain the threshold of torture.’ Dat onderscheid verdedigt het Hof met de ‘intention of the Convention to attach a special stigma to deliberate inhuman treatment causing very serious and cruel suffering.’ In verband met deze net-niet-marteling kan volgens het Hof niet gezegd worden dat het bewijs voor de moord buiten beschouwing had moeten worden gelaten omdat het in strijd met artikel 3 EVRM verkregen is. Enkele dissenters gaan wel zo ver. De te verwachten heftige reacties van de bevolking wanneer Magnus strafvermindering of een schadevergoeding zou krijgen nemen ze voor lief. ‘The ultimate responsibility for any such “advantage” to the accused lies, firmly, with the State authorities whose agents, irrespective of their motivation, permitted the perpetration of inhuman treatment and thereby risked compromising the subsequent conduct of criminal proceedings.’

Aan de andere kant veroordeelt het Hof Duitsland wel. De betrokken agenten zijn weliswaar vervolgd en veroordeeld, maar ze zijn er uiteindelijk wel erg makkelijk vanaf gekomen. Een relatief lage boete, geen ontslag, uiteindelijk zelfs nog promotie, dat heeft volgens het Hof niet ‘the necessary deterrent effect in order to prevent further violations of the prohibition of ill-treatment in future difficult situations’.

En zo kreeg Duitsland toch een nie-wieder veroordeling aan zijn broek.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 FTG 16/06/2010 om 09:32

Misschien moet je onderscheid maken tussen de juridische vraag of bewijs verkregen door marteling een rol zou mogen spelen bij een veroordeling (antwoord lijkt me evident nee) en de puur morele vraag of je mag martelen om levens te redden.
Jack Bauer van 24 staat regelmatig voor dat laatste dillemma. Het scenario is dan altijd iets in de trand van: over 15 minuten ontploft zeker een atoombom in Los Angelos en Jack heeft een terrorist gevangen die zeker weet waar de bom zich bevindt. Mag Jack hem in zijn knie schieten (want hij heeft haast) om de informatie los te krijgen? Voor Jack bestaat er over deze morele vraag geen twijfel.
Hij claimt daarmee overigens niet de juridische vraag beantwoord te hebben. Als er een senaatshoring wordt georganiseerd om te onderzoeken of er regels geschonden zijn, betwist hij de legitimiteit van dat onderzoek niet en is hij bereid een eventuele latere veroordeling te accepteren, omdat hij gelooft in de rechtsstaat. Als hij de regels daarvan overtreden heeft behoort dat consequenties te hebben.
Dat is op zich niet in strijd met zijn morele overtuiging dat hij goed handelde door de terrorist in zijn knie te schieten om het afgaan van de bom te voorkomen.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: