Minderjarige kandidaten

door EB op 18/01/2017

in Varia

Post image for Minderjarige kandidaten

Nadat de kiesgerechtigden op 30 januari hun lijsten, met daarop de namen van personen die zij voor het Kamerlidmaatschap willen voordragen, bij het centraal stembureau hebben ingeleverd, worden deze door het centraal stembureau onderzocht. Dit onderzoek is formeel van aard. Het centraal stembureau bekijkt daarbij bijvoorbeeld of de namen op de kandidatenlijst wel op de juiste wijze zijn gespeld en gaat na of de voorgedragen kandidaten wel allemaal een verklaring bij de lijst hebben gevoegd waaruit blijkt dat zij zelf ook kandidaat willen staan. Of een kandidaat betrouwbaar is, geen verwerpelijke politieke ideeën heeft en zijn kandidaatstelling voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer serieus neemt, zijn zaken die het centraal stembureau niet in het onderzoek mag betrekken. Het oordeel daarover moet aan de kiesgerechtigden worden gelaten.

Eén van de formele eisen die het centraal stembureau wel onderzoekt, is of de kandidaten gedurende de zittingsperiode van de Tweede Kamer de leeftijd hebben, of zullen bereiken, waarop zij als lid van de Kamer toegelaten kunnen worden. Daarvoor dienen zij achttien jaar of ouder te zijn (art. 56 Grondwet). De leden van de Tweede Kamer die op 15 maart gekozen worden, worden voor vier jaren gekozen (art. C 1 lid 1 Kieswet) en treden, behoudens tussentijdse Kamerontbinding, op donderdag 25 maart 2021 af (art. C 2 lid 1 Kieswet). Een kandidaat moet dus uiterlijk op 24 maart 2021 achttien worden. Ook veertienjarigen kunnen dus als Kamerlid worden voorgedragen. Let wel: hoewel sommige minderjarigen al kunnen worden gekozen en benoemd, kunnen zij niet als volksvertegenwoordiger worden toegelaten (vgl. art. V 4 lid 1 Kieswet). Tot toelating kan pas worden overgegaan als de minderjarige kandidaat meerderjarig is.

Een bekend voorbeeld van een kandidaat waarbij dit gespeeld heeft, is Lilian Marijnissen. Zij was 17 toen zij in 2002 als kandidaat voor het lidmaatschap van de gemeenteraad in Oss (Bron) werd voorgedragen en gekozen, maar moest wachten totdat ze achttien was voordat zij daadwerkelijk zitting kon nemen in de gemeenteraad.

Dat brengt mij op iets anders. Passief kiesrecht wordt vaak gedefinieerd als “het recht gekozen te worden in algemeen vertegenwoordigende colleges.” (M.C. Burkens .e.a, Beginselen van de democratische rechtsstaat, Alphen aan den Rijn: Kluwer 2006, p. 199) of als “Het recht (…) tot lid [van algemeen vertegenwoordigende organen] te worden gekozen (C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, Deventer: Kluwer 2008, p. 221). Andere handboeken formuleren het wellicht iets anders, maar in de kern wordt deze definitie algemeen en breed geaccepteerd; ook internationaal. Tegelijkertijd is het in de wetenschappelijke literatuur ook onomstreden dat Nederlanders vanaf hun achttiende passief kiesrecht toekomt (bijv.: D.J. Elzinga, H.R.B.M. Kummeling en J. Schipper-Spanninga, Het Nederlandse kiesrecht, Deventer: Kluwer 2012, p. 2). Het is mij, tot het schrijven van dit blog eigenlijk zelf nooit eerder opgevallen, maar …  hoe verhouden deze twee zich tot elkaar? Als passief kiesrecht alleen draait om gekozen kunnen worden, dan ligt de grens eigenlijk niet bij 18-jarigen. De 17-jarige kan immers ook al worden gekozen en benoemd, alleen niet als lid worden toegelaten en dus zal – als die omstandigheid zich voordoet – korte tijd later een ander in zijn/haar plaats worden benoemd. Er lijkt voor het Nederlandse kiesrecht dus iets te ontbreken in die breed gedragen definitie van het passief kiesrecht. Wellicht is “het recht om tot lid van een algemeen vertegenwoordigend orgaan te worden gekozen en daartoe als lid te worden toegelaten” een werkbaar alternatief?

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: