Minimale rechtsbescherming tegen korting in cultuursector

door Ingezonden op 05/12/2011

in Haagse vierkante kilometer

Post image for Minimale rechtsbescherming tegen korting in cultuursector

De intrekking van de Wet werk en inkomen kunstenaars haalt het Staatsblad nog wel voor 1 januari 2012, nog even door de Eerste Kamer op 6 december. Zo komt een einde aan de speciale voorzieningen voor kunstenaars op weg naar een zelfstandig ondernemerschap. Zij kent geen overgangsrecht en wordt rauwelijks ingevoerd. De betrokken kunstenaars hebben dan een termijn die in dagen te tellen is, om zich op de veranderde situatie in te stellen. Sommige kunstenaars zullen misschien kans zien hun zelfstandigheid door te zetten, anderen zullen opeens hun weg naar zelfstandig ondernemerschap moeten stopzetten en een bijstandsuitkering moeten gaan aanvragen. De wetgever heeft niet vastgesteld dat de termijn voor het beëindigen van deze uitkering redelijk moet zijn en neemt de vrijheid om onredelijk te handelen.

Voor subsidies ligt dat anders. In artikel 4:51 Algemene wet bestuursrecht is vastgelegd dat bij de beëindiging van subsidies voor ontvangers die 3 jaar of langer zijn gesubsidieerd, een redelijke termijn in acht moet worden genomen. Hoe langer zij zijn gesubsidieerd, hoe langer de opzeggingstermijn is. In die gevallen kan er in maanden worden geteld. De tijd moet voldoende zijn om aangegane verplichtingen op een behoorlijke manier af te bouwen.

Wat is een redelijke termijn? Er was nog maar net, 3 jaar geleden, een wijziging doorgevoerd die het mogelijk moest maken dat een beperkt aantal instellingen een langjarig subsidie perspectief werd gegund. Zij moesten nog wel elke vier jaar verantwoording afleggen en subsidie aanvragen, maar konden er vanuit gaan dat de subsidieverhouding in beginsel zou worden gecontinueerd. In wezen was dat daarvoor ook al zo. Dat is niet vreemd, want zelfs in het Verenigd Koninkrijk gaan de top-instellingen er vanuit dat zij steeds zullen worden gesubsidieerd. Dat is een kwestie van vertrouwen en goed ondernemerschap. Toptalent kan je alleen in top-programma’s in top-zalen laten optreden bij zeer tijdige planning. Het is dus rationeel de geselecteerde instellingen de gelegenheid te geven op lange termijn te werken. Dat vertrouwen genieten ze niet langer. Hun horizon van planning wordt bekort tot maximaal vier jaar, en voor de meeste instellingen wordt het nog korter.

Veel andere instellingen die althans konden rekenen op subsidiëring van 4 jaar en daardoor redelijk lange lijnen konden uitzetten, zien die mogelijkheid verdampen. Zij moeten bij fondsen gaan aanvragen die alleen projectsubsidies mogen geven.

Het beleid van de staatssecretaris om instellingen op hun subsidies te korten heeft politieke rugdekking en is in hoofdzaak wettelijk verankerd. De rechterlijke toetsing is daardoor beperkt, maar de rafelrandjes van de hele operatie kunnen worden getoetst. De staatssecretaris heeft bij de Tweede Kamer wel steun gezocht en gekregen voor zijn regeling inzake de frictiekosten (de vergoeding van de (gedeeltelijke) afbouw van een culturele instelling), maar die verleende steun maakt dit deel van het beleid niet onaantastbaar. Het gaat bij de frictiekosten maar om geringe bedragen, die bovendien niet structureel zijn. De frictiekosten zijn geregeld in een beleidsregel. Elk van haar elementen kan worden getoetst aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij vergt een stringent individuele toepassing. Door de steun van de Kamer wordt de toetsingsbevoegdheid van de rechter niet verminderd, alleen al niet omdat de Kamer kon weten waaraan ze haar steun verleende. Dat deed ze namelijk aan een regeling die naar aard niet hard is.

De verplichting om een relatie netjes te beëindigen, is bovendien een juridische verplichting. En bij deze regeling is er geen wettelijk glazuur over het beleid gelegd. Deze regeling kan in haar geheel en in haar toepassing door de rechter worden getoetst op rechtmatigheid.

Anders dan bij de andere delen van het kortingsbeleid, kan de rechter de redelijkheid van de termijn en de hoogte van het bedrag toetsen. Een van de aspecten daarbij is dat de rechter kan beoordelen of het redelijk was dat een instelling bepaalde verplichtingen aanging. De schoten voor de boeg die de staatssecretaris heeft afgevuurd, zoals de aansporing om geen verplichtingen aan te gaan, zullen kunnen worden afgewogen tegen de redelijke afweging die de instellingen mochten maken, mede gelet op het zo door de Staatssecretaris gewenste ondernemerschap.

De instellingen weten nog steeds niet precies wat hen boven het hoofd hangt en moeten zowel rekening houden met zowel doorgaan als met stoppen, als met iets daartussen in.

De rechter kan daarmee rekening houden bij zijn toets aan de Algemene wet bestuursrecht en aan beginselen van behoorlijk bestuur. Bovendien zitten er allerlei prikkelende juridische snufjes in de frictiekosten-regeling. Voer voor processen. Zo kunnen althans de rafelrandjes van een van de regelingen zonder overgangsrecht en het kortingsbeleid nog door de rechter worden getoetst. Wel natuurlijk tegen betaling van een hoog griffierecht.

Inge van der Vlies, hoogleraar Kunst en Recht UvA

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 sander_1583 07/12/2011 om 11:54

Prima aanpassing mijnsinziens van onze overheid. Dit artikel is een poging om mensen die gekort worden weer procedures te laten starten onder het mom; Beste Rechter, ik vind dat ik recht heb op een langere periode gratis geld omdat ik dit al een lange periode heb gehad. hahhaha. recht is dan weer krom en proficiat, dat is precies wat mevrouw vd Vlies wenst.

2 Yoeri Roosendaal 03/01/2012 om 12:55

Interessant nieuws deze morgen: de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag heeft de Intrekkingswet WWik buiten werking gesteld wegens strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM (LJN: BU9921). Daartoe overweegt mr. Paris kort gezegd dat sprake is van een inmenging in het eigendomsrecht waarbij de “fair balance” uit het oog verloren is. De voorzieningenrechter stelt vast dat de Staat gehouden is enige compensatie toe te kennen aan kunstenaars aan wie vóór 1 januari 2012 een WWik-uitkering is toegekend. Het ontbreken van enig overgangsrecht wordt de Staat zwaar aangerekend:

“3.16. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, ondanks de wide margin of appreciation die de Staat toekomt, de Staat niet op toereikende wijze heeft vorm gegeven aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, waar het gaat om kunstenaars die vóór 1 januari 2012 reeds een uitkering ontvingen op grond van de WWik, nu er niet is voorzien in enig overgangsrecht. De voor deze groep personen gehanteerde overgangstermijn is voor de betreffende kunstenaars volstrekt onvoldoende geweest om hun beroepspraktijk aan de nieuwe situatie aan te passen. Dit leidt tot de conclusie dat de Intrekkingswet jegens hen onmiskenbaar onverbindend is wegens strijd met artikel 1 EP.

3.17. Het voorgaande heeft echter niet tot gevolg dat een volledige compensatie geboden hoeft te worden, nu dat immers ertoe zou leiden dat het de Staat onmogelijk wordt gemaakt in bestaande sociale zekerheidsrechten in te grijpen. Een adequate overgangsperiode, waarin de desbetreffende kunstenaar zijn of haar beroepspraktijk kan aanpassen aan de veranderde omstandigheden, kan als voldoende compensatie worden beschouwd. Het is aan de Staat om in het kader van zijn ‘wide margin of appreciation’ dergelijk overgangsrecht vast te stellen. De vordering van FNV KIEM c.s. zal als hierna te vermelden worden toegewezen.”

Volgt een gebod aan de Staat tot buitenwerkingstelling van de Intrekkingswet WWik totdat is voorzien in adequaat overgangsrecht.

Een zeer interessante en principiële uitspraak, die niet alleen voor de regering, maar ook voor het parlement een wond oplevert. Vooral de Eerste Kamer heeft zich hier van haar slechtste kant betoond. Nog gauw even deze wet voor het begin van het kerstreces afraffelen! En dan ook nog volgens de op dit blog vaker bekritiseerde wijze van stemmen, namelijk met denkbeeldige aanwezigheid van alle senatoren. Het stenogram van 20 december maakt duidelijk dat een PVV-kamerlid afwezig was, dus er was niet eens een meerderheid voor de Intrekkingswet! De oppositie in de Senaat heeft hier een kans laten liggen.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: