Minister Kamp, stage lopende illegalen en het recht op onderwijs

door Ingezonden op 13/04/2012

in Haagse vierkante kilometer

Post image for Minister Kamp, stage lopende illegalen en het recht op onderwijs

Vorige week waren we in het programma ‘Pauw en Witteman’ getuige van een flinke aanvaring tussen minister Kamp en wethouder Asscher over de vraag of illegalen stages mogen volgen in het middelbaar of hoger beroepsonderwijs. Volgens Kamp mag dit niet op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Het volgen van stages zou ‘arbeid’ zijn, waarvoor geen tewerkstellingsvergunning verleend kan worden. Asscher stelde echter onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van State van 4 april 2012 dat stages niet zonder meer als ‘arbeid’ moeten worden beschouwd. Bovendien was Asscher van mening dat illegalen tot hun achttiende jaar recht op onderwijs hebben en dus ook op het volgen van een stage, als dat onderdeel van het onderwijs uitmaakt.

Het is jammer dat dit laatste punt in de discussie vrijwel geen aandacht heeft gekregen en dat alles draaide om de vraag of stages al dan niet gezien moeten worden als ‘arbeid’. Vooral, omdat het de vraag is of de toelaatbaarheid van de stages terecht aan de hand van de Wav beoordeeld is. In 1998 is namelijk het zogenaamde ‘koppelingsbeginsel’ in de Vreemdelingenwet opgenomen. Volgens dit beginsel hebben illegale vreemdelingen geen aanspraak op ‘verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen ten laste van de collectieve middelen’, zodat het hun moeilijk gemaakt wordt hun illegale verblijf voort te zetten. Een uitzondering op dit beginsel betreft echter het volgen van onderwijs door leerplichtige vreemdelingen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze uitzondering direct uit internationale verplichtingen voortvloeit. Zowel het Europees Verdrag voor de rechten van de mens als het Internationale verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten verbieden dat de toegang tot het onderwijs wordt onthouden aan illegale vreemdelingen in de leerplichtige leeftijd. Bovendien zijn ook kinderen van illegalen op grond van de Leerplichtwet leerplichtig. Asschers betoog over het recht op onderwijs is dus volkomen juist. En dat dit recht ook het volgen van een stage omvat, blijkt uit de Wet educatie en beroepsonderwijs. Die schrijft immers voor dat ‘onderricht in de praktijk van het beroep’ deel uitmaakt van elke beroepsopleiding en dat het examen in ieder geval ook een onderzoek naar de ‘vaardigheden’ van de geëxamineerde omvat. In feite is het pleit hiermee beslecht en komt toetsing aan de Wav niet meer aan de orde.

Maar ook als de toelaatbaarheid van het volgen van stages wel aan de hand van de Wav beoordeeld wordt, heeft Kamp niet zonder meer gelijk. In deze wet staat namelijk niet dat het volgen van stages door illegale vreemdelingen niet is toegestaan, of dat stages altijd als arbeid beschouwd moeten worden. Wat de wet bepaalt is dat het ‘een werkgever verboden is een vreemdeling arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning’ en dat zo’n vergunning niet aan een illegale vreemdeling verleend kan worden. Cruciaal is dus de vraag of het volgen van stages als ‘arbeid’ moet worden aangemerkt. Hoewel dit begrip ‘arbeid’ ruim moet worden uitgelegd om te voorkomen dat malafide werkgevers ermee aan de haal gaan en vreemdelingen onder het mom van een stage voor (bijna) nop laten werken, is het ook weer niet helemaal zonder grenzen. Juist bij stages waar het leerelement onvermijdelijk met het element van arbeid vervlochten is, staat daarom niet bij voorbaat vast dat sprake is van arbeid. Soms, zoals in een door Kamp aangehaalde uitspraak, is sprake van arbeid. Daar liet een bedrijf twee Bulgaren onder het mom van stage (‘leren bouwen naar Nederlandse maatstaven’) werken in de woning van zijn directeur. Overheerst echter het leerelement, dan is er geen sprake van arbeid. Dat volgt uit de door Asscher aangehaalde uitspraak van de Raad van State van 4 april jongstleden.

Asschers voorstel om criteria op te stellen waaronder het volgen van stages door illegalen toelaatbaar is, moet dan ook in het licht van die uitspraak worden gezien. In de uitspraak wordt een co-assistentschap dat deel uitmaakt van de studie Tandheelkunde aan de Radboud Universiteit te Nijmegen niet als ‘arbeid’ aangemerkt, omdat de verrichte handelingen niet tot een grotere productiecapaciteit van het ziekenhuis hebben geleid en de co-assistent geen stagevergoeding heeft ontvangen. Ook de korte duur van de stage zal waarschijnlijk een rol hebben meegespeeld. Anders dan wel beweerd is, ligt deze uitspraak dicht aan tegen de situatie van het beroepsonderwijs. Veel dichter in ieder geval dan de uitspraken waarnaar Kamp verwezen heeft. Dat maakt het mogelijk er criteria aan te ontlenen voor het beoordelen van stages. De door de rechter gehanteerde factoren (vergoeding, stageduur en vergroting van arbeids- of productiecapaciteit) zouden daarvoor een handvat kunnen bieden. Ten slotte lijkt het mij ook essentieel dat de stage door de desbetreffende school aangeboden en/of begeleid wordt, zodat vaststaat dat ze ingebed is in het (overige) onderwijs.

Arnout Klap, docent Bestuursrecht Universiteit van Amsterdam

Foto: Benoit

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 a.zecha 14/04/2012 om 00:25

Het programma “Pauw & Witteman” verstrekte kijkers een beeld van een bewindsman die zichzelf stripte van zijn imago op een zindelijke en liberale wijze te kunnen debatteren met een andersdenkende.
Bemerkelijk was het daardoor opgeroepen imago van een star denkend man, dat werd versterkt door de monotonie van de door hem aangevoerde “argumenten” als: wet is wet en regel is regel. M.i. zijn deze “imago’s” politiek opportuun vermits hij daarmee sluw een debat omzeilde over de “rechtsplicht op onderwijs voor minderjarigen” en andere voor dit kabinet heikele punten.
a.zecha

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: