Moderne kunst en kennelijke onredelijkheid in Amsterdam

door FTG op 12/09/2013

in Bestuursrecht, Rechtspraak, Uitgelicht

Post image for Moderne kunst en kennelijke onredelijkheid in Amsterdam

De afbeelding die u ziet is, ter vermijding van copyrightproblemen, een foto van een door mijzelf op ware grote geschilderde impressie van het schilderij Who’s Afraid Of Red, Yellow, and Blue III, van Barnett Newman.

Barnett Newman maakte het type schilderij dat onvermijdelijkerwijs in musea aan gemiddelde bezoekers de opmerking ontlokt: “dat kan mijn 5-jarige nichtje ook.” Nu is dat vrijwel nooit waar, maar blijkbaar maakte Newman in ieder geval wel het type schilderij dat door mijn 5-jarige nichtje gerestaureerd zou kunnen worden.

In 1986 werd namelijk het schilderij Who’s Afraid Of Red, Yellow, and Blue III met een stanleymes bewerkt door een bezoeker van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Deze bezoeker claimde zelf een kunstenaar te zijn, die echter een hekel had aan realistische én aan abstracte kunst. De daad van het vernielen van abstracte kunst zag hij als een kunstwerk op zich. Ook dat zou mijn 5-jarige nichtje trouwens goed kunnen. (Elf jaar later beschadigde deze zelfde man overigens ook nog een ander werk van Newman in het Stedelijk).

Het Stedelijk gaf in 1987 de opdracht om het doek te restaureren aan Goldreyer, een restaurator gevestigd te New York, die op dat moment een al wat schimmige geschiedenis had. Na vier jaar was de klus door hem geklaard en declareerde hij enige tonnen voor het restauratiewerk. Normaal gesproken is restauratie een zeer zorgvuldig en gedetailleerd proces, dat bovendien omkeerbaar moet zijn: een latere restaurator moet een eerdere ingreep kunnen terugdraaien. Goldreyer had echter ter restauratie een verfroller ter hand genomen, zo bleek bij nadere inspectie door gerenommeerde experts, en daarmee de beschadigde banen overgeschilderd. Dit werd na technisch onderzoek bevestigd door het Nederlands Forensisch instituut. Het schilderij was daardoor in feite niet meer het  originele werk van Newman.

Het stedelijk wilde daarom een schadevergoeding van Goldreyer. Bij wijze van intimidatietactiek eiste Goldreyer daarop van iedere betrokkene (onder andere van Van Beeren, directeur van het Stedelijk, van Van de Wetering, een kunsthistoricus, van de Gemeente Amsterdam en van kranten die er over berichtten) een schadevergoeding van 127 miljoen dollar wegens laster. Die intimidatietactiek werkte: niet alleen werden de door hem in rekening gebrachte kosten betaald, in het kader van een schikking betaalde de gemeente  Amsterdam hem bovendien 100.000 dollar schadevergoeding. De procedure zelf had ook nog eens enige tonnen gekost. Als onderdeel van de schikking werd overeengekomen dat door de Gemeente Amsterdam niet mag worden gecommuniceerd met de media over de zaken die in de gerechtelijke procedure aan de orde zijn gekomen en dat medewerkers van de gemeente zich niet mogen uitlaten over de restauratie van het schilderij.

Jaren later, in 2011, deed een journalist bij het college van B&W van Amsterdam een Wob-verzoek, om inzage in de rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut. Het verzoek werd afgewezen en het bezwaar daartegen ongegrond verklaard. Het beroep bij de rechtbank werd echter gegrond verklaard. Op 11 september 2013 deed de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak in het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling komt inhoudelijk tot dezelfde conclusie als de rechtbank (ook al wordt de uitspraak van de rechtbank vernietigd wegens een verkeerde beoordeling van één van de aangevoerde gronden) en bepaalt, zelf in de zaak voorziend, dat de rapporten openbaar gemaakt moeten worden.

Eén van de weigeringsgronden waar het college zich op beroepen had was dat de financiële belangen van de gemeente zich zouden verzetten tegen openbaarmaking, omdat het risico zou bestaan dat de nabestaanden van Goldreyer in een procedure schadevergoeding zouden eisen wegens schending van de schikkingsovereenkomst. De Afdeling is het er mee eens dat een dergelijk risico inderdaad bestaat. Dat betekent echter nog niet dat de aanvraag om openbaarmaking dus afgewezen kan worden. Het college moet eerst nog een afweging maken tussen enerzijds het financiële belang van de gemeente, en anderzijds het belang bij openbaarmaking.

Het oordeel van een bestuursorgaan over de vraag of het belang bij openbaarmaking zwaarder weegt, dan, in dit geval, het financiële belang van de gemeente, wordt door de rechter terughoudend getoetst. Bij die belangenafweging heeft het college dus veel vrijheid. Die vrijheid wordt in deze gevallen echter wel enigszins beknot, omdat de Afdeling als uitgangspunt neemt dat het belang bij openbaarmaking zwaar dient te wegen. Alleen als de belangenafweging kennelijk onredelijk is, zal de rechter ingrijpen. Dat een afweging door de rechter kennelijk onredelijk wordt geoordeeld komt niet vaak voor.

In deze uitspraak gebeurt dat echter wel. De Afdeling is van oordeel dat het college in dit specifieke geval in redelijkheid niet het belang van de gemeente zwaarder kon laten wegen dan het publieke belang bij openbaarmaking. Aan het uitgangspunt van de Wob, openbaarmaking, ”zou wezenlijk afbreuk worden gedaan indien de enkele dreiging van het entameren van procedures en de daarmee gemoeide kosten voldoende reden zouden zijn de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob van toepassing te achten.”

Inderdaad. Het zou onwenselijk zijn als derden door intimidatietactieken het openbaar worden van relevante documenten zouden kunnen tegengaan. Ik ben benieuwd wat er in de rapporten te lezen staat. Waarschijnlijk niet veel wat niet al bekend was vrees ik: de conclusies van de rapporten waren al openbaar gemaakt, alleen de rapporten zelf (inclusief de onderbouwing) nog niet.

{ 4 reacties… read them below or add one }

1 Martin Holterman 12/09/2013 om 10:12

Wat een vreemde redenering. Hoe kan de gemeente nou aansprakelijk zijn als openbaarmaking geschiedde op basis van een wettelijke plicht?

2 JADB 12/09/2013 om 15:25

Strikt genomen wanpresteert de gemeente door openbaar te maken. Moet de betreffende bepaling in de geheimhoudingsovereenkomst in strijd met de openbare orde etc. worden geoordeeld? Is er een civilist in de zaal?

3 Martin Holterman 12/09/2013 om 21:49

Artikel 6:74 BW:
1. Iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de schuldenaar de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.
(…)

Artikel 6:75 BW:
Een tekortkoming kan de schuldenaar niet worden toegerekend, indien zij niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

4 JAdB 13/09/2013 om 00:22

Wat als er een boetebeding is verbonden aan de geheimhoudingsbepaling? Dat lijkt me geen schade in de zin van 6:74, zodat toerekenbaarheid ook geen noodzakelijke voorwaarde is voor het ontstaan van de verplichting tot betaling van de boete.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: