Moeten ambtenaren altijd instructies van ministers uitvoeren?

door FTG op 25/06/2009

in Haagse vierkante kilometer

Post image for Moeten ambtenaren altijd instructies van ministers uitvoeren?

In zijn column in de volkskrant bespreekt Thomas von der Dunk de vraag of ambtenaren beleid van eventuele PVV-ministers zouden moeten uitvoeren. Zijn antwoord op die vraag is: niet als dat beleid in strijd komt met “de grondbeginselen van de rechtsstaat, waaronder het verbod op discriminatie en willekeur.” Deze conclusie berust op het argument dat de beginselen van de rechtsstaat belangrijker zijn de die van de democratie. Kiezers hebben namelijk niet altijd gelijk. Daar zit veel in. Om Anatole France te parafraseren: een stompzinnige opvatting blijft stompzinnig, ook al wordt die opvatting door miljoenen mensen aangehangen.

Von der Dunk concludeert hieruit dat ambtenaren instructies die strijdig zijn met de beginselen van de democratische rechtsstaat, mogen en wellicht ook moeten saboteren. Ook daar zit veel in: de meeste mensen zullen het erover eens zijn dat er geen morele plicht bestaat om immorele rechtsregels op te volgen. Sterker, veel mensen zullen vinden dat er juist een morele plicht bestaat, om immorele regels te negeren. Denk bijvoorbeeld aan de rassenwetgeving van nazi-Duitsland.

Die wetgeving is evident immoreel, maar meestal liggen de zaken niet zo helder. Er is op dit weblog al eerder aan de orde gekomen dat veel grondrechten, en met name ook artikel 1 van de Grondwet, in hoge mate onduidelijk geformuleerd zijn. Is het bijvoorbeeld toegestaan een docente te ontslaan die weigert handen te schudden? De Commissie Gelijke Behandeling vond van niet, de Centrale Raad van Beroep vond van wel. Alhoewel de meeste mensen een voorkeur zullen hebben voor één van beide standpunten, is geen van beide evident juist of onjuist.

Het gelijkheidsbeginsel, ik zei het al eerder, is in hoge mate onduidelijk. In de eerste plaats is het vaak al voor betwisting vatbaar of in een bepaald geval inderdaad sprake is van ongelijke behandeling. Er zijn vele voorbeelden te geven, maar een op zich geestig voorbeeld is te vinden in een uitspraak van de Raad van State (ABRvS 16 maart 1999, JB 1999, 102). Het ging daar om een zoon van een vrouw met een adellijke titel. De zoon kon die titel van zijn moeder niet erven, omdat adeldom alleen vererft via de mannelijke lijn. Hij voerde aan dat het gegeven dat een vrouw haar titel niet aan haar kinderen kan doorgeven, maar een man wel, een vorm van ongelijke behandeling is. Daar zit wat in natuurlijk. De Raad van State meende echter van niet: het geldt immers voor mannen en voor vrouwen in gelijke mate dat ze via hun moeder geen adeldom kunnen verwerven. Dat is ook weer zo.

In de tweede plaats verbiedt het gelijkheidsbeginsel ongelijke behandeling niet als daar een redelijke en objectieve grond voor bestaat. Maar wanneer is iets een redelijke en objectieve grond? Redelijke mensen kunnen daarover van mening verschillen. Of men iets een redelijke grond vindt voor onderscheid zal vaak afhangen van de politieke opvattingen die men heeft. Denk aan de vraag of de handenschudweigeraarster wel of niet ontslagen mocht worden. Vormt het bevorderen van integratie een redelijke grond om, in dit geval, indirect onderscheid te maken op grond van godsdienst? Dit lijkt me primair een politieke vraag en veel minder een juridische vraag. Los van de evidente gevallen, zal het dus vaak voorkomen dat de vraag of er sprake is van ongeoorloofd onderscheid, afhankelijk is van het politieke oordeel dat men velt. In die gevallen lijkt het mij uitermate onwenselijk dat een ambtenaar de instructies van een minister negeert. Als een ambtenaar dat in deze situatie namelijk doet, voert hij de instructies niet uit, omdat hij het politiek oneens is met de minister. Het erkennen van die mogelijkheid zou juist de bijl zetten aan de wortels van onze rechtsstaat.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: