Molukse wensen II

door GB op 22/11/2011

in Rechtspraak

Toen de Republiek der Zuid-Molukken (RMS) vorig jaar in een kort geding om de arrestatie van de President van Indonesië verzocht, bleef hij meteen weg. De onmiddellijke afwijzing van de vorderingen kon dat niet anders maken.

Inmiddels heeft het Gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen de afwijzing van deze en vooral ook de andere vorderingen. Uit de uitspraak is in ieder geval duidelijk geworden dat de RMS op zoek moet naar een betere landsadvocaat. Mr. E. Tahitu was het niet eens gelukt om voldoende stellingen van de voorzieningenrechter te betwisten om een inhoudelijke beoordeling uit te lokken.

Gelukkig bleek het Hof welwillend genoeg om ten overvloede nog wat over de zaak te zeggen – en daarmee lijken ze een voorbeeld te willen geven aan de Staat.

Uiteraard stuit de vordering inhoudelijk af op de vaste redenering dat de burgerlijke rechter (en zeker die in kort geding) praktisch nooit een actie van de regering op het gebied van het buitenlands beleid onrechtmatig zal noemen. Dat is de klassieke political question leer: bepaalde onrechtmatigheidsoordelen laat de rechter graag aan anderen. Vraagstukken van internationale politiek zijn daar een voorbeeld van. Dat wil overigens niet zeggen dat het handelen van de Staat altijd deugt. Het kan best onrechtmatig zijn, maar je zult het een rechter niet snel horen uitspreken.

Dat is niet alles. Althans, ik lees in deze overweging van het Hof een aansporing:

De Staat heeft blijkens het vonnis van de voorzieningenrechter (4.8) aangevoerd dat het vast beleid van de Staat is om brieven van niet-erkende regeringen zoals de RMS niet te beantwoorden. Wat er ook zij van de vraag of het, gelet op de historische betrokkenheid van de in Nederland woonachtige personen van Molukse afkomst bij een deel van de Nederlandse koloniale geschiedenis, behoorlijk is in het geheel niet op dergelijke brieven te reageren en of het niet mogelijk is deze te beantwoorden op zodanige wijze dat de gerechtvaardigde belangen van de Staat niet worden geschaad, kan tegen de hiervoor geschetste achtergrond in dit kort geding niet worden geoordeeld dat het onbeantwoord laten van de brief van 20 september 2010 (op welke andere brieven RMS c.s. eventueel ook nog doelen is niet duidelijk) onrechtmatig jegens hen is.

In de eerste plaats laat het Hof de vraag ‘in dit kort geding’ liggen. Een beter opgezette bodemprocedure (waarin bijvoorbeeld duidelijk is over welke brieven het gaat) is dus niet bij voorbaat kansloos. Meer in het bijzonder formuleert de rechter een criterium dat al specifiek is toegesneden op de Molukse kwestie. Het Hof haalt de eis daarmee voorzichtig weg onder het schild waar de buitenlandse politiek zich bij de rechter doorgaans achter kan verschuilen. Uiteindelijk gaat het namelijk volgens het Hof hierom: Hoe behoorlijk is het totaal niet reageren op brieven van Molukse Nederlanders (althans: hier wonenden) die zich bijzonder verbonden voelen met een deel van de Nederlandse koloniale geschiedenis?

Volgens mij is dit een retorische vraag die de politieke organen zouden moeten kunnen beantwoorden.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 EMP 23/11/2011 om 00:49

‘Uit de uitspraak is in ieder geval duidelijk geworden dat de RMS op zoek moet naar een betere landsadvocaat. Mr. E. Tahitu was het niet eens gelukt om voldoende stellingen van de voorzieningenrechter te betwisten om een inhoudelijke beoordeling in uit te lokken.’

Gezien de expertise van de advocaat van de RMS is dat ook niet zo heel erg verwonderlijk.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: