Money matters (deel II)

door LD op 13/12/2007

in Buitenland

Post image for Money matters (deel II)

In een vorige bijdrage stonden we stil bij de Amerikaanse regelgeving op het gebied van campagnefinanciering en hebben we onder meer gekeken naar de Federal Election Campaign Act van 1971 en de Bipartisan Campaign Reform Act van 2002. Deze regelgeving is verre van perfect. Het verbaast dan ook niet dat van diverse kanten voorstellen voor verandering en verbetering zijn gedaan. Laten we daar eens een blik op werpen.

Sommigen vinden dat de wetgeving maar gewoon moet worden afgeschaft. Dit standpunt wordt verdedigd door een brede groep waarin zich zowel oerconservatieve als ultraliberale personen en organisaties bevinden. Men vindt hier onder andere de National Rifle Association en de Christian Coalition of America, maar tevens de American Civil Liberties Union (ACLU). Sommige van deze groepen en individuen kunnen elkaar wel schieten, maar allemaal zijn ze het over één ding eens: de regelgeving inzake campagnefinanciering is veel te omvangrijk, veel te ingewikkeld, de verkiezingen worden er minder competitief van, de regels schrikken mensen af om te geven en mee te doen, en tenslotte zijn de regels gewoon in strijd met de vrijheid van meningsuiting, beschermd door het First Amendement. Mensen hebben onder de Amerikaanse Constitutie het recht om campagne te voeren voor de kandidaten van hun keus en daar geld aan te besteden – want zonder geld geen campagne – en als wetten en regels dat verhinderen, dan zijn deze ongrondwettig. Vanuit deze hoek is er dan ook veel kritiek op de express advocacy doctrine van het Supreme Court: als iets tot de kern van de vrijheid van meningsuiting behoort, dan is het wel een oproep om op een bepaalde kandidaat te stemmen.

Anderen vinden daarentegen dat de wetgeving nog lang niet ver genoeg gaat. Sterker nog: eigenlijk zou iedere private financiering van politieke partijen en kandidaten gewoon helemaal verboden moeten worden. Campagnes zouden alleen nog met publiek geld gevoerd mogen worden, want alleen dan ligt het gevaar van ongeoorloofde belangenverstrengeling – voor wat hoort wat – niet op de loer. Bovendien worden zo de rijken niet boven de armen bevoordeeld, want een groter vermogen betekent niet langer méér politieke invloed als de overheid de verkiezingen en de daarbij behorende campagnes betaalt. In sommige staten, onder meer Arizona en Maine, wordt bij de statelijke verkiezingen al enige tijd geëxperimenteerd met zogenaamde Clean Money, Clean Elections programma’s. Hierbij wordt aan kandidaten die een bepaald aantal handtekeningen hebben verzameld, alsmede een bepaald aantal kleine bijdragen van burgers, een verkiezingsbudget uit de overheidskas toegekend. Als een kandidaat de subsidie accepteert, mag hij geen giften van anderen meer aannemen of van zijn privé vermogen gebruik maken. Het systeem is echter niet overal populair. In Californië werd een voorstel tot invoering van zo’n systeem in een referendum (ballot initiave) in november 2006 compleet weggestemd.

In het midden bevinden zich dan nog de moderaten. Charles J. Helm van de Western Illinois University ziet vooral een conflict tussen twee typen vrijheid. Aan de ene kant staat de vrijheid van ieder individu om op gelijke voet met zijn medeburgers deel te nemen aan het politieke proces. Eigenlijk is dit dus het gelijkheidsbeginsel als materiële component van de vrijheid. Aan de andere kant staat de vrijheid om een goede campagne te voeren zonder voortdurend lastig gevallen te worden met vervelende regeltjes. Wie de middelen heeft om campagne te kunnen voeren, moet ook de juridische vrijheid hebben om dat daadwerkelijk te doen. Om het conflict tussen de formele en de materiële vrijheid op te lossen zou er volgens Helm een reeks maatregelen genomen moeten worden: meer overheidssubsidiëring, meer openbaarheid, limieten aan uitgaven en vrije toegang tot de televisie voor alle kandidaten. Zo moet dus een gemengd publiek-privaat systeem ontstaan waarin vrijheid en gelijkheid elkaar in evenwicht houden. Klinkt prachtig, maar wel een beetje té voor de hand liggend en bovendien: hoe geven we dat systeem vorm? Subsidiesystemen zijn heel moeilijk vorm te geven zonder ofwel de zittende partijen te bevoordelen ofwel iedere kansloze gek een zak geld toe te stoppen. Bovendien lijkt een groot deel van de Amerikaanse bevolking helemaal niet warm te lopen voor subsidiëring. Verder is er nog het First Amendment, waar je als wetgever niet zomaar omheen kunt. En nóg meer regels?

Misschien is het origineelste idee dan nog wel afkomstig van de geleerden Ackerman en Ayres van de Yale Law School. Zij stellen twee dingen voor. Allereerst krijgt iedere Amerikaanse burger een voucher ter waarde van $ 50. Daarvan kan hij $ 25 besteden aan presidentskandidaten, $ 15 bij de verkiezingen voor de Senaat en $ 10 voor het Huis van Afgevaardigden. De burger is volkomen vrij bij de besteding van het geld: hij mag het aan één kandidaat geven, of aan meerdere. Hij mag ook helemaal niets geven. Dan verloopt de geldigheid van de voucher op de verkiezingsdag van rechtswege. Het verschil met het huidige subsidiesysteem is dat onder dat systeem de burger geen enkele invloed heeft op de besteding van de 3 dollar die hij beschikbaar stelt door een hokje aan te kruisen. Met het voting with dollars systeem van Ackerman en Ayres is dat uiteraard anders. De invloed die de burger heeft op de besteding van het geld zou hem meer bij de politieke kunnen betrekken. En de politiek meer bij hem.

Het tweede deel van het voorstel van de beide geleerden klinkt op het eerste gezicht absurd: zij stellen voor de limieten voor giften zeer sterk te versoepelen en het iedere donateur toe te staan anoniem giften te doen aan partijen en kandidaten. Met anoniem bedoelen zij echter dat óók de partij of kandidaat zelf niet weet van wie het geld afkomstig is. De redenering is: als niemand weet van wie het geld afkomstig is, dan hoeven de partijen en kandidaten zich ook niet verplicht te voelen jegens de donateurs, die zij immers niet kennen. ‘Voor wat, hoort wat’ komt dan niet meer voor. Natuurlijk zouden de ontvangers kunnen proberen te achterhalen wie het geld gegeven heeft, maar dat is in het systeem Ackerman/Ayres niet zo eenvoudig. De giften gaan namelijk via de Federal Election Commission naar de kandidaten. De FEC splitst de gift in kleinere, ongelijke stukjes, mixt die stukjes met stukjes gift van anderen en stuurt zo de onherkenbaar gemaakte bedragen door naar de rechthebbenden. Donoren kunnen wel zéggen dat ze geld gegeven hebben, maar bewijzen kunnen ze het niet.

Natuurlijk zijn er ook aan dit systeem enige potentiële nadelen. De creativiteit van de Amerikanen kennende, zullen ze het systeem kunnen ontwijken door geld te schenken aan 527 groups als de Swift Boat Veterans. Bovendien klinkt de keuze voor anonimiteit van giften in een democratie principieel verkeerd. Daar hoort openbaarheid toch juist de norm te zijn. Tenslotte: waarom zou iemand nog geven als de ontvanger zijn naam niet mag kennen? Als de bedoeling is iets terug te krijgen voor de gift – variërend tot van louter goodwill tot een concrete tegenprestatie – dan heeft het doen van een gift geen zin meer. De donaties zullen dan langzaam maar zeker opdrogen, met als gevolg een sterke overheersing van de overheidssubsidies. Natuurlijk zullen de giften van bepaalde personen en groepen altijd wel binnen blijven stromen: dat zijn de giften van hen wier belangen toch al hetzelfde zijn als die van de presidentskandidaat. In dat geval zal de kandidaat wanneer hij eenmaal president is geen andere maatregelen nemen dan wanneer hij geen geld zou hebben gekregen.

De presidentverkiezingen van 2008 zullen nog volgens het oude, ingewikkelde financieringssysteem lopen. Wellicht dat de tijd daarna rijp is voor een volgende Reform Act.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 FTG 14/12/2007 om 13:51

Misschien is er nu, in deze tijd, sowieso minder aanleiding om dit type giften te reguleren voor presidentsverkiezingen. Dertig jaar geleden waren de campagnes relatief goedkoop: een zeer rijk iemand kon dan zichzelf verkozen krijgen of iemand in het zadel helpen door flink in de buidel te tasten.
Nu is dat echter veel minder reëel. Campagnes kosten honderden miljoenen. Zelfs Mitt Romney is niet zo rijk dat hij een aantal campagnes uit eigen zak kan betalen en tegelijkertijd genoeg overhoudt om daanaast andere leuke dingen te doen.
Misschien ligt het anders voor campagnes voor de senaat, enz. Die zullen, omdat ze maar in één staat gevoerd worden, een stuk goedkoper zijn.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: