Naleving EHRM-uitspraak tegen andere lidstaat

door RdG op 28/10/2010

in Buitenland, Grondrechten

In het oktobernummer van Ars Aequi schrijft Annemarieke Beijer een “korte schets van de situatie in Nederland wat betreft mensenhandel” n.a.v. de EHRM-uitspraak Rantsev v. Cyprus and Russia (app. no. 25965/04) van 7 januari 2010. Zij vraagt zich af of “de uitspraak van het Europese Hof implicaties heeft voor het Nederlandse beleid inzake de opsporing en vervolging van mensenhandel”. Na een uitvoerige en interessante schets van de relevante Nederlandse regelgeving en instrumenten op dit gebied moet mw. Beijer tot de volgende conclusie komen:

“Hoever de verplichtingen (voor Nederland c.q. andere staten, RdG) wel reiken is niet zo duidelijk; de Rantsev zaak is pas de eerste zaak over seksuele uitbuiting die aan het Hof is voorgelegd.”

Hier raakt de auteur aan een van de grootste uitdagingen als het om naleving van uitspraken van het EHRM gaat. In hoeverre binden die uitspraken andere lidstaten dan die waartegen het arrest is gewezen? In andere woorden: in hoeverre zijn andere staten verplicht hun burgers, die in een vergelijkbare situatie verkeren, tegemoet te komen voordat zij een beroep doen op die jurisprudentie voor de rechter of het EHRM en de schending dus al heeft plaatsgevonden?

Twee voorbeelden
In 1979 oordeelde het EHRM in Marckx v. Belgium (app. no. 6833/74) dat buitenechtelijke kinderen onder Belgisch recht gediscrimineerd werden, aangezien er geen juridische band voortkwam uit de geboorte, maar de moeder om dit te bereiken het kind via een lastige procedure moest erkennen of adopteren. Precies dezelfde situatie bestond onder Frans recht. Toch veranderde Frankrijk de relevante regelgeving pas in 2000 (!) nadat het zelf veroordeeld was in de zaak Mazurek v. France (app. no. 34406/97).

In 1981 besloot het EHRM dat homoseksuele activiteiten tussen “consenting adults” niet strafbaar zouden moeten zijn (Dudgeon v. UK, app. no. 7525/76). Cyprus wachtte tot het in 1993 veroordeeld was in Modinos v. Cyprus (app. no. 15070/89) voordat het de wetgeving aanpakte.

In beide gevallen gingen er vele jaren verloren voordat de (ongeoorloofde) situatie in een andere lidstaat veranderde. Ook de procedures voor het EHRM waren niet nodig geweest, als eerder maatregelen waren genomen.

Interpretatie
Artikel 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens luidt:

“The High Contracting Parties shall secure to everyone within their jurisdiction the rights and freedoms defined in Section I of this Convention.”

Als de lidstaten de rechten en vrijheden zullen verzekeren, dan mag men er vanuit gaan dat dit ook geldt voor de nadere invulling van deze rechten via de EHRM-jurisprudentie. Het lijkt me bovendien dat “verzekeren” in ieder geval betekent dat schendingen zoveel mogelijk moeten worden vermeden.

Afgelopen voorjaar herhaalden de lidstaten in de Interlaken-verklaring hun bereidheid om in overweging te nemen:

“the Court’s developing case-law, also with a view to considering the conclusions to be drawn from a judgment finding a violation of the Convention by another State, where the same problem of principle exists within their own legal system”

Het EHRM neemt, niet geheel verassend, ook deze positie in. In par. 197 van Rantsev v. Cyprus and Russia vinden we de volgende passage:

“The Court’s judgements in fact serve not only to decide those cases brought before the Court but, more generally, to elucidate, safeguard and develop the rules instituted by the Convention, thereby contributing to the observance by the States of the engagements undertaken by them as Contracting Parties.”

Dit bouwt voort op Grand Chamber-uitspraak Opuz v. Turkey (2009), zie par. 163:

“…bearing in mind that the Court provides final authoritative interpretation of the rights and freedoms defined in Section I of the Convention, the Court will consider whether the national authorities have sufficiently taken into account the principles flowing from its judgements on similar issues, even when they concern other states.”

Het Hof zal dus het niet opvolgen van eerdere uitspraken meewegen in de beoordeling, zelfs als die uitspraken gericht waren tegen andere staten.

De facto bindende kracht?
Dit gaat nog altijd om interpretatie op het moment dat een nieuwe zaak zich aandient, een zaak die eigenlijk voorkomen had kunnen worden.

Helaas hebben uitspraken volgens art. 46 EVRM slechts bindende kracht tussen partijen. De interpretatieve bevoegdheid, voortvloeiend uit artikelen 1 en 19 EVRM, moet dus niet worden gezien als een directe juridische werking van uitspraken ten opzichte van alle staten.

Toch vraag ik me af of er ook zoiets zou kunnen bestaan als een de facto verbindende kracht tegenover andere lidstaten. Bijvoorbeeld in de zaak Mamatkulov and Askarov v. Turkey (app. no. 46827/99, 2003). Daar rekende het Hof af met een lidstaat die een voorlopige maatregel om uitzetting te verkomen (“rule 39”, non-refoulement) negeerde en daarmee volgens het Hof art. 34 EVRM (betreffende het individuele klachtrecht) had geschonden. Men mag toch aannemen dat niet in 46 andere procedures aangetoond dient te worden dat deze voorlopige maatregelen inderdaad ook niet door andere lidstaten genegeerd mogen worden.

Succesvolle implementatie
Maar het is niet eenvoudig een onderscheid te maken: welke zaken dwingen tot naleving? Zoiets is vermoedelijk ook niet iets wat via verdrag kan worden geregeld. Daarom zal het uiteindelijk afhankelijk zijn van diplomatieke druk van andere lidstaten, acties en petities van belangengroepen, oplettende wetgevingsjuristen, media-aandacht en invloed vanuit het nationale parlement. Het is spijtig om te zien dat zelfs in de meest duidelijke gevallen die druk noodzakelijk is en dat die soms pas jaren later zijn vruchten afwerpt.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 wp 05/11/2010 om 21:16

Inderdaad geldt een uitspraak alleen tussen partijen. Maar al geldt voor het Hof geen regel van stare decisis en beschouwt het Hof het Verdrag als een levend document, het Hof beschouwt citeert als in zijn motivering eerdere uitspraken onafhankelijk van het land waartegen deze zijn gewezen. Er is dus geen reden om te vermoeden, dat in een zaak tegen Nederland het Hof anders zal oordelen dan in een zaak tegen UK of Cyprus.

Voor een land als Nederland waar het verdrag rechtstreeks werkt komt daar nog een argument bij. Volgens art 19 stelt het Hof vast, welke verplichtingen het Verdrag aan de lidstaten oplegt. Zodra het Hof tegen welke lidstaat dan ook heeft vastgesteld, dat uit het Verdrag een verbod op strafbaarheid van homoseksuele handelingen voortvloeit, geldt dit rechtstreeks in Nederland, en kan Nederland niet zoals het dualistische UK en het dualistische Cyprus doen alsof dit de Nederlandse rechtsorde niet raakt.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: