Nationale peilingen zeggen niet alles

door Redactie op 17/10/2007

in Buitenland

In de peilingen voor de voorverkiezingen bij de democraten heeft Hillary Clinton een forse voorsprong op haar concurrenten. Op dit moment staat Clinton op 42,5 %. Obama staat op 18,4 % en Edwards staat op 10,8 %. Bij de republikeinen staan de kandidaten wat dichter op elkaar, alhoewel Giuliani nog altijd meer dan 10 % voorsprong heeft. Giuliani staat op 27,4 %, Thompson op 17,1 %, McCain op 13, 8% en Romney op 9,6 %.

Toch zegt dit niet alles, want het betreft hier nationale peilingen. De Democratische en de Republikeinse partij houden in 2008 beide een nationaal congres, waar zij hun presidentskandidaten aanwijzen. Die kandidaat wordt gekozen door afgevaardigden van de diverse staten, die zelf ook weer door hun staten gekozen zijn. Binnen de democratische partij geldt daarbij voor iedere staat het beginsel van proportionele vertegenwoordiging. Bij de Republikeinen geldt daarentegen het winner takes all principe. De staat Iowa mag bijvoorbeeld 40 afgevaardigden naar de republikeinse nationale conventie sturen. De kandidaat met de meeste stemmen in de republikeinse voorverkiezingen in Iowa krijgt dan alle 40 afgevaardigden (ook al heeft die kandidaat bijvoorbeeld maar 30 % van de stemmen gekregen). Hetzelfde geldt voor alle andere staten. In dit systeem is het dus mogelijk (net als in alle districtenstelsels overigens) dat een kandidaat met de meeste individuele stemmen in het hele land, toch niet de winnaar wordt.

Bovendien speelt hier nog iets anders. De voorverkiezingen worden in de verschillende staten op verschillende momenten gehouden. Er zijn er al een paar in januari 2008, de meeste zijn in februari 2008 en de laatste zijn ergens in juni. Traditioneel wordt de eerste voorverkiezing in New Hampshire gehouden, alhoewel dat in 2008 wel eens anders zou kunnen zijn. Degene die de eerste voorverkiezing wint, bouwt daarmee extra momentum op, ook wel het zwaan-kleef-aan effect genoemd. Mensen stemmen graag op iemand waarvan zij denken dat dat de toekomstige winnaar is. Waarom mensen dat doen, begrijp ik eigenlijk niet goed, want het lijkt me beter te stemmen op iemand waar je het mee eens bent. Hoe dan ook, de kandidaat die de eerste voorverkiezingen wint, heeft daarmee een groot voordeel op zijn rivalen. Bij de democratische voorverkiezingen in 2004 had Howard Dean in de peilingen consequent een grote voorsprong op Kerry. Kerry won echter onverwacht in New Hampshire en door het momentum dat dit opleverde won hij uiteindelijk ook de democratische nominatie.

Als we naar de peilingen per staat kijken en niet naar de nationale peilingen, zien we vooral bij de republikeinen een heel ander beeld. Mitt Romney staat in de nationale peilingen op de vierde plaats, zo’n 17% achter Giuliani. In New Hampshire staat hij echter op de eerste plaats met 27,1 % van de stemmen. Giuliani staat daar 5,5 % achter. In Iowa, waar de voorverkiezingen gehouden worden op 14 januari 2008 is het verschil nog groter: Romney 28,1 %, Thompson 15,2 en Giuliani 14,6. In Michigan, waar de voorverkiezingen op 15 januari gehouden worden staat Giuliani op voorsprong, maar is die voorsprong veel minder groot dan in de nationale peilingen: Giuliani 21,7 % en Romney 19,4 %. Dat verschil ligt tussen, wat opiniepeilers noemen, de statistische foutenmarge. Als Romney dus de eerste drie voorverkiezingen wint, wat niet ondenkbaar is gezien de peilingen, kan er nog van alles gebeuren.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 Jacob 30/10/2007 om 15:39

Leuk stuk. Het komt er dus eigenlijk op neer dat nationale polls lang niet altijd even waardevol zijn. Ik begin me nu af te vragen op basis van welk soort polls ik door de Amerika-kenners die ons land rijk is word geinformeerd.

– Jacob

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: