Nee, de dorpsgek van Oud-West gaat Geert Wilders niet redden

door CM op 20/12/2014

in Grondrechten, strafrecht

Post image for Nee, de dorpsgek van Oud-West gaat Geert Wilders niet redden

Het kan bijna geen toeval zijn. Op dinsdag 16 december 2014 beslist de Hoge Raad dat de homo-onvriendelijke uitspraken van politicus Delano Felter mogelijk toch strafbaar zijn en iets meer dan een dag later beslist het Openbaar Ministerie dat politicus Geert Wilders wordt vervolgd wegens zijn uitspraken over minder Marokkanen. Felter had uitspraken gedaan die erop neerkwamen dat hij minder homo’s in Amsterdam wilde. Hij was daarvoor vervolgd en vrijgesproken door zowel rechtbank als hof. Dat leidde mij tot de vraag of de dorpsgek van Oud-West wellicht de redding voor Wilders zou worden. Waarom zou “minder homo’s” immers wel mogen, en “minder Marokkanen” niet? De vraag naar de mogelijke redding van Wilders lijkt nu ontkennend beantwoord te moeten worden, hoewel strikt genomen het gerechtshof waarnaar de zaak-Felter is terugverwezen alsnog tot vrijspraak zou kunnen besluiten. Die kans lijkt echter klein.

Bij meneer Felter zit duidelijk een steekje los. Anders is zijn incoherente tirade tegen “netwerken voor vieze mannetjes en vieze vrouwtjes” en zijn pleidooi voor een “heteroland” en tegen een “homofiele stad” moeilijk te verklaren. Tel daarbij zijn beweerde activiteiten als organisator van militaire coups en zijn avonturen met een islamitische politieke partij (die hij als katholiek inmiddels heeft verlaten) op, en je weet dat je te maken hebt met iemand die ze ziet vliegen. Dat loszittende steekje kan ertoe leiden dat hem geen straf wordt opgelegd wegens vergaande ontoerekeningsvatbaarheid. Dat is prima: de daad is dan strafbaar, maar de dader gezien zijn specifieke persoonlijke omstandigheden niet. Wie wel compos mentis is, komt er niet mee weg. In dit geval hadden rechtbank en hof echter geoordeeld dat ook de daad niet strafbaar was. Met name het hof ging daar ver in. Het achtte de uitlatingen van Felter beschermd door artikel 10 EVRM (op zichzelf correct) en niet excessief. Het legde de grens bij bedreiging, intimidatie, haat en geweld, waarvan in dit geval geen sprake was.

Ik voorspelde in mijn eerdere bijdrage dat de Hoge Raad nog wel eens zou kunnen vallen over het feit dat het hof niet de gebruikelijke drie stappen zet die in (groeps)beledigingszaken standaard zijn: zijn de uitlatingen op zichzelf beledigend, maakt de context dat anders en zo ja, zijn de uitlatingen dan toch onnodig grievend? Ik denk dat ik wel mag stellen dat de Hoge Raad hier inderdaad over gevallen is (mijn cursiveringen):

“Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens groepsbelediging en/of aanzetten tot discriminatie in de zin van voormelde wettelijke bepalingen, dient acht te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uiting is van artistieke expressie. Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is.”

Om daar vervolgens nog aan toe te voegen:

“Bij de beoordeling van de vraag of een uitlating onnodig grievend is, dient, indien het gaat om een uitlating door een politicus in het kader van het publiek debat – het politieke debat daaronder begrepen – onder ogen te worden gezien enerzijds het belang dat de betreffende politicus daadwerkelijk in staat moet zijn zaken van algemeen belang aan de orde te stellen ook als zijn uitlatingen kunnen kwetsen, choqueren of verontrusten, maar anderzijds ook de verantwoordelijkheid die de politicus in het publieke debat draagt om te voorkomen dat hij uitlatingen verspreidt die strijdig zijn met de wet en met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. Daarbij gaat het niet uitsluitend om uitlatingen die aanzetten tot haat of geweld of discriminatie maar ook om uitlatingen die aanzetten tot onverdraagzaamheid.”

Bespiegelen die zo kunnen worden gekopieerd naar de zaak-Wilders, die er nu toch echt van komt. Op dit blog is al eerder uiteengezet dat er goede redenen zijn om Wilders te vervolgen. Er zijn ook goede redenen om aan te nemen dat er ditmaal een veroordeling zal volgen. Wilders heeft zijn hand overspeeld. In plaats van een beroep te doen op de vrijheid van meningsuiting kan zijn advocaat beter betogen dat Wilders vanwege de tien jaar dat hij nu al noodgedwongen buiten de samenleving leeft door alle bedreigingen vergaand paranoïde en daardoor verminderd toerekeningsvatbaar is geworden. Dat betoog heeft in dit geval misschien nog wel meer kans van slagen dan een beroep op het EVRM.

{ 4 reacties… read them below or add one }

1 Martin Holterman 20/12/2014 om 14:21

voorkomen dat hij uitlatingen verspreidt die strijdig zijn met de wet

Huh? Wat doet deze zin in een analyse van de vraag of de wet disproportioneel ingrijpt in de vrijheid van meningsuiting van verdachte? Dat de uitlatingen van verdachte in strijd zijn met de wet, daar waren we het al over eens, dacht ik. Maar de vraag is of deze wet buiten toepassing moet blijven wegens strijd met art. 10 EVRM. Om bij die vraag nogmaals gehoorzaamheid aan de wet te verlangen lijkt me een beetje vreemd.

2 M.J. Hoogendoorn 22/12/2014 om 09:44

Kwalificeren de bewoordingen in dit geval wel als “aanzetten tot”? Uiteraard kun je met context een hoop lijmen, maar, net als dat van die totale oorlog: Het was maar een vraag.

3 JU 06/01/2015 om 21:20

@Holterman

Zo gek is het niet. Kwestie van incorporatietechniek. De HR laat sinds het arrest Van Dijke bij uitingsdelicten de relevante strafbepaling niet buiten toepassing wegens strijd met 10 EVRM, maar legt de term “belediging” in plaats daarvan uit conform de eisen van 10 EVRM. Een belediging die nog onder de bescherming van 10 EVRM valt is dus geen belediging in de zin van de strafwet. Pas als de uiting niet meer gedekt wordt door 10 EVRM, is hij in strijd met de wet.

4 Martin Holterman 07/01/2015 om 00:08

@JU: Dan is die zin op z’n best overbodig: “Bij de beoordeling van de vraag of een uitlating onnodig grievend is (=is strijdig met de wet) dient (…) onder ogen te worden gezien dat (…) de politicus de verantwoordelijkheid heeft om te voorkomen dat hij uitlatingen verspreidt die strijdig zijn met de wet.”

Bij een normale, stapsgewijze analyse van het probleem, is dit nog maar de vraag, en als we “de wet” interpreteren als “de wet nadat we art. 10 eroverheen hebben gehaald”, dan zegt de rechter niets meer dan dat de politicus zich aan de wet moet houden, en dat lijkt me evident en niet bepaald een aspect van de rechterlijke analyse.

Is het teveel gevraagd dat de HR uitlegt hoe je bepaalt wat iemand wel of niet mag zeggen, in plaats van dat ze gewoon een serie dingen opsommen die relevant, waar, en/of evident zijn? Gewoon een stukje rechtszekerheid, etc.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: