Nu ook al geen wettelijke grondslag voor aanspreektitel rechters!

door LD op 21/02/2013

in Haagse vierkante kilometer, Rechtspraak

Post image for Nu ook al geen wettelijke grondslag voor aanspreektitel rechters!

Recentelijk schreef ik op dit weblog een stukje over de aanspreektitel van de vrouw van onze toekomstige Koning, de Wet lidmaatschap koninklijk huis uit 2002 en de vraag of deze wet in de weg staat aan het verlenen van de aanspreektitel ‘koningin’ aan Máxima Zorreguieta. De bijdrage leidde tot interessante reacties. Eén lezer merkte op dat de wet ook niet regelt of je de rechter moet aanspreken met meneer of edelachtbare. Een andere lezer maakte hem echter attent op het Kostuum- en titulatuurbesluit rechterlijke organisatie, dat in artikel 1 de titulaturen (lees: aanspreektitels) van verschillende rechterlijke ambtenaren regelt. Lezer 1 was overtuigd, maar merkte terloops nog op de verwijzing in het Kostuum- en titulatuurbesluit naar de Wet op de rechterlijke organisatie niet helemaal te begrijpen. Die opmerking lijkt me een schot in de roos. Het Kostuum- en titulatuurbesluit kan voor wat betreft artikel 1 inderdaad niet op artikel 19 Wet RO gebaseerd worden en naar het mij voorkomt ook niet op een andere formeelwettelijke bepaling.

In de aanhef van het Kostuum- en titulatuurbesluit rechterlijke organisatie kunnen we lezen dat is gelet op artikel 19 van de Wet RO. Dit artikel heeft thans betrekking op een door het gerechtsbestuur vast te stellen huishoudelijk reglement. Het Kostuum- en titulatuurbesluit is echter een algemene maatregel van bestuur en dat is heel wat anders dan een huishoudelijk reglement. In 1997, toen het Kostuum- en titulatuurbesluit werd vastgesteld, luidde artikel 19 Wet RO dan ook heel anders. Het is evenwel niet heel gemakkelijk om na te gaan hoe het toen luidde, aangezien op overheid.nl weliswaar op in het verleden geldende wetten kan worden gezocht, maar helaas maar tot 1 mei 2002. Dat ik mijn Kluwer Collegebundel 1998-1999 (de eerste die ik ooit aanschafte) al lang geleden bij het oud papier heb gezet hielp ook niet echt. Met behulp van een collega, de wetstechnische informatie van overheid.nl en een oud Staatsblad uit 1972 (Stb. 1972, 463) kan het oude artikel 19 gelukkig redelijk gereconstrueerd worden:

“Alles wat de wijze van eedsaflegging, het kostuum der onderscheiden rechterlijke ambtenaren en der advocaten en procureurs, de afwezigheid, de afwisseling en de orde van de inwendige dienst van de Hoge Raad, gelijk mede van de hoven, rechtbanken en kantongerechten, aangaat, zal bepaald worden bij reglementen van openbaar bestuur.”

Twee zaken vallen op aan dit artikel. De eerste is het archaïsche taalgebruik. “Reglement van openbaar bestuur” is kennelijk een soort vroege voorloper van de algemene maatregel van bestuur. Wie een beetje googlet komt uit bij een koninklijk besluit van 14 september 1838, nog getekend door Willem I en secretaris van staat Baron van Doorn van Westcapelle, “waarbij worden vastgesteld vier Reglementen, in voldoening aan art. 19 der Wet op de samenstelling van de Rechterlijke macht en het beleid der Justitie”. Eén van die reglementen is het “Reglement, betreffende de titulature en het costuum der Regterlijke Ambtenaren, alsmede het costuum der Advocaten, Procureurs en Deurwaarders”. Duidelijk een voorloper van het thans geldende Kostuum- en titulatuurbesluit dus, inclusief een verwijzing naar artikel 19 van de Wet RO (waarvan de tekst sinds de inwerkingtreding van de Wet RO in 1838 en tot 2002 slechts op ondergeschikte punten is gewijzigd). Dat het Kostuum- en titulatuurbesluit ook nog eens in zijn volledige naam “Reglement II” tussen haakjes heeft staan, maakt het plaatje compleet.

Het voorgaande is natuurlijk een aardige rechtshistorische les, maar echt opvallend is iets anders, namelijk de inhoud van het oude artikel 19 Wet RO. Dat rept wel van eden, kostuums e.d., maar niet van de titulatuur van rechters. Je kunt dus de conclusie trekken dat artikel 1 van het Kostuum- en titulatuurbesluit van 1997, en eigenlijk al de bepalingen over titulatuur in het Reglement van 1838, een wettelijke grondslag missen. Op dat punt is dus sprake van een zelfstandige algemene maatregel van bestuur. Dit zou anders zijn wanneer een andere formeelwettelijke bepaling als grondslag kan worden aangewezen. Artikel 19 is vooral door de Wet organisatie en bestuur gerechten van eind 2001 flink op de schop gegaan. Bepalingen over het ambtskostuum lijken te zijn overgeheveld naar de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, waar ze eerst in een inmiddels vervallen hoofdstuk 1A terecht gekomen zijn en vervolgens in artikel 54. Dat bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding regels kunnen worden gesteld met betrekking tot een aantal onderwerpen, waaronder het ambtskostuum (artikel 66 en 67, lid 6, van de Wet RO kennen een vergelijkbare bepaling voor deskundige lekenleden van speciale gerechten; deze bepaling lijkt enigszins op het oude artikel 19). Maar onder de in artikel 54 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren genoemde onderwerpen vinden we weer niet de titulatuur. En het wordt wel erg verwrongen en gekunsteld om de aanspreekvorm van de rechter onder ‘overige rechten en plichten’ te brengen (sub k). Bij een Kostuum- en titulatuurbesluit mag toch minimaal verwacht worden dat de delegerende wet zowel het kostuum als de titulatuur uitdrukkelijk noemt.

De Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren zegt ook verder niets over (aanspreek)titels, behalve dan terloops over het recht de titel ‘meester’ te voeren. De huidige Wet RO doet dat wel, maar dan gaat het om functionele titels als ‘kantonrechter’ (artikel 47), ‘voorzieningenrechter’ (artikel 50) en ‘economische politierechter’ (artikel 52). Eén keer valt zelfs letterlijk de term ‘aanspreektitel’, te weten bij de ‘president in kort geding’ (artikel 50, lid 3). Maar nergens lijkt een wettelijke grondslag te vinden te zijn om bij algemene maatregel van bestuur vast te leggen dat de aanspreektitel van een rechter ‘edelachtbare heer of vrouwe’ is. Artikel 1 van het Kostuum- en titulatuurbesluit, dat blijkens de wetstechnische informatie nog op 1 januari 2013 is aangepast, is dus zo zelfstandig als het maar kan, en eigenlijk gebruiken we al sinds 1838 een aanspreektitel die tot geen enkele wet in formele zin te herleiden is. Een schandaal!

Nou ja, dat is ook weer wat overdreven. Artikel 89 Grondwet laat formeel de ruimte voor zelfstandige algemene maatregelen van bestuur, mits deze niet door straffen gehandhaafd worden. Volgens mij word ik niet gestraft als ik weiger de rechter met ‘edelachtbare heer’ aan te spreken, dus staatsrechtelijk lijkt het met artikel 1 van het Kostuum- en titulatuurbesluit wel goed te zitten. Maar toch. Het genoemde artikel 1 is een algemeen verbindend voorschrift dat op honderden rechters in Nederland van toepassing is. Als dáár al geen wettelijke grondslag voor nodig is, waarom dan wel voor de eenmalige toekenning van de aanspreektitel ‘koningin’ aan Máxima? Mocht de regering nog overwegen een voorstel voor een noodwetje te maken om de aanspreektitel van Máxima zeker te stellen, dan zou een voorstel voor Veegwet titulatuur rechterlijke ambtenaren ook niet misstaan.

Met dank aan Ruudt en CR voor de voorzet.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 Ruudt 26/02/2013 om 17:03

Mooi stukkie LD!

En nu blijkt uit het antwoord op recente kamervragen van de PvdD ook nog eens dat de Hoge Raad lak heeft aan wat er in het besluit staat. Want in plaats van de voorgeschreven hermelijnen-bont toga blijkt al jaren net-bont te worden gebruikt. We mogen toch verwachten deze edelhoogachtbare heren zich aan de wet houden!

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20122013-1305.html

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: