Offend, shock or disturb

door MN op 07/04/2010

in Grondrechten, Rechtspraak

Post image for Offend, shock or disturb

Het mensenrechtenhof in Straatsburg stelt al jaren dat politici een dikkere huid moeten en een grotere mond mogen hebben dan gewone stervelingen. Wie een publiek ambt bekleedt, moet zich meer laten welgevallen dan wie niet in de schijnwerpers staat. Omgekeerd mogen politieke functionarissen ook meer zeggen dan gewone burgers. Een arrest van het hof Den Haag van 16 maart jongstleden biedt een fraaie illustratie van waartoe deze Straatsburgse doctrine leidt.

Aan het arrest (en het vonnis waarvan hoger beroep) gaat een politieke soap van jewelste vooraf. Ik pik de krenten uit de pap. De Delftse wethouder B. prikt in mei 2004 een vorkje in het Italiaanse restaurant van D. Wethouder B. weet niet dat de restauranthouder (naar eigen zeggen onbedoeld) de bewakingscamera aan heeft staan. Tijdens de maaltijd komt ondermeer een subsidieverzoek van de restauranthouder ter sprake. De Italiaan vraagt een gemeentelijke bijdrage voor zijn plan om gondels door de Delftse grachten te laten varen. De wethouder wil nog geen structurele financiering toezeggen, maar ziet wel ruimte voor een proefproject. D. is niet de enige gesprekspartner van de wethouder: de bestuurder belt met diverse bekenden. Eén daarvan blijkt de Haagse wethouder V., die sollicitant is op de vrijgekomen functie van Delftse burgemeester. Hoewel wethouder B. niet in de Delftse vertrouwenscommissie zit, weet hij wel hoe daar gedacht wordt over de kandidatuur van V. Of het B. te danken is zullen we wel nooit weten, maar feit is dat een diep verdeelde Delftse gemeenteraad later V. voordraagt als nieuwe burgemeester. In hun telefoongesprek spreken beide wethouders ook over de Haagse plannen voor een nieuw voetbalstadion voor ADO Den Haag. De aan dat gesprek ontleende wetenschap dat de gemeente Den Haag erg geïnteresseerd is in een perceel deelt wethouder B. vervolgens met vastgoedondernemer Z., die als verkopende partij zaken wil doen met de gemeente Den Haag. B. adviseert de vastgoedhandelaar in de onderhandelingen niet te bescheiden te zijn. Op de heimelijk gemaakte video-opname is te zien en te horen hoe de Delftse wethouder B. voor de vastgoedhandelaar Z. als deepthroat optreedt (“Dat weet jij niet, heb ik jou niet verteld”, “nee heb je niet van mij”) en tot tweemaal toe een aandeel in de winst claimt (“En die paar ton die je daar op verdient stop je in mijn campagne, afgesproken?”, “OK, en wat je d’r aan wint dat stop je maar in mijn campagne”).

Een klein jaar na deze video-opnames maakt wethouder B. bekend dat hij een baan heeft aanvaard bij een Rotterdamse vastgoedonderneming. In verband daarmee zal hij per 1 juni 2005 aftreden als wethouder. Restauranthouder D., die zijn zinnen heeft gezet op continuëring van zijn gondelproject, herinnert tijdens een onderhoud in een café wethouder B. aan zijn toezegging. Tot op heden heeft hij een waarderingbijdrage ontvangen van € 26.000. Aan die toekenning (volgens de bestuursrechter ongeacht de naamgeving een subsidie) ligt een brief ten grondslag die haaks staat op een afwijzende beschikking die een dag eerder is gedateerd. De restauranthouder zet de wethouder onder druk: hij dreigt de gemaakte video-opnames openbaar te maken als de gevraagde subsidie niet wordt verleend. Ook dit gesprek wordt stiekem opgenomen, ditmaal met een mobiele telefoon. Wethouder B. is niet onder de indruk, en bedreigt op zijn beurt de restauranthouder (“Als je me nu gaat aanvallen dan dan dan dan is het afgelopen met je. (…) Serieus, echt waar. Als je me nu gaat aanvallen, nou dan zorg ik voor getuigen”). Daags na dit gesprek neemt de restauranthouder contact op met de burgemeester en drie raadsleden, waaronder de fractievoorzitter van Leefbaar Delft. Deze fractievoorzitter zoekt na enkele dagen de openbaarheid. Hij schrijft een reeks columns op zijn website waarin hij wethouder B. van corruptie beschuldigt. Ook wethouder B. onderneemt actie: hij vraagt het college om een onderzoek naar de beschuldigingen en doet aangifte wegens smaad, laster en chantage. Hangende het interne onderzoek van de gemeentesecretaris legt wethouder B. zijn functie neer. Na tien dagen concludeert de gemeentesecretaris, zonder overigens de videobeelden te hebben gezien, dat de beschuldigingen van corruptie ongefundeerd zijn.
Het onderzoek van de rijksrecherche vergt aanzienlijk meer tijd. De wethouder en de fractievoorzitter wachten dat onderzoek niet af: nadat de gemeentesecretaris zijn bevindingen heeft gepubliceerd starten zij een loopgravenoorlog. De (gewezen) wethouder B. en Leefbaar Delft-fractievoorzitter S. zoeken veelvuldig de media om beschuldigingen over en weer te uiten of te ontkrachten. Eén van de beschuldigingen houdt verband met de toegezegde waarderingsbijdrage voor het gondelproject. Het bevreemdt de fractievoorzitter dat die bijdrage is toegekend in een brief die verzonden is daags nadat het college de subsidieaanvraag voor hetzelfde project afwees. De behandelend ambtenaar zou onder druk zijn gezet door de wethouder. Die lezing wordt later overigens bevestigd door de ambtenaren als zij worden verhoord door de rijksrecherche.
De negatieve publiciteit rondom de wethouder leidt ertoe dat zijn voorgenomen overstap naar de Rotterdamse vastgoedonderneming afketst op het intrekken van de voordracht van B. als directeur van de onderneming. Dat is voor B. de druppel: hij daagt de fractievoorzitter en de restauranthouder voor de rechter. Van de politicus vordert de gewezen wethouder een schadevergoeding wegens onder meer de misgelopen Rotterdamse betrekking. Die schade bestaat voor een deel uit het mislopen van de vergoeding voor de MBA-opleiding die B. voor zijn nieuwe baan heeft gevolgd. Van de restauranthouder wil B. (een kopie van) de integrale video-opnames, zodat hij kan aantonen dat zijn uitlatingen uit hun context zijn gehaald. De restauranthouder stelt niet meer over de opnames te beschikken: angstig geworden door bedreigingen heeft hij zowel de originelen als de kopieën met een waterpomptang bewerkt. De gemeente Delft heeft partij gekozen voor de gewezen wethouder en kent hem een toelage van € 15.000 toe voor de kosten voor rechtsbijstand. B. vordert rectificatie van een advertentie waarin de tegenstrijdige subsidiebeschikkingen werden gepresenteerd als bewijs van corruptie.
De voorzieningenrechter wijst de vordering van de ex-wethouder toe: de fractievoorzitter moet een advertentie over de tegenstrijdige subsidiebeschikkingen rectificeren. In hoger beroep wordt dit oordeel bevestigd; de Hoge Raad doet de zaak af met een beroep op art. 81 RO.

In juli 2007 oordeelt de Haagse rechtbank in de bodemprocedure dat de uitlatingen van fractievoorzitter S. geen onrechtmatige daad opleveren voor zover ze zijn gedaan voor de datum waarop wethouder B. zijn aftreden bekend maakte. Die uitlatingen die zijn gedaan na het aftreden van B. waren echter wel onrechtmatig, nu het niet meer nodig was de publieke aandacht op de kwestie te vestigen. Met de latere uitlatingen over de oud-wethouder was volgens de rechtbank geen redelijk doel gediend; de fractievoorzitter had zijn pijlen moeten richten op de nog actieve politieke functionarissen.

Zowel de fractievoorzitter als de gewezen wethouder tekenen beroep aan tegen het vonnis in de bodemprocedure. Zoals gezegd is op 16 maart jl. arrest gewezen. Het Haagse hof komt tot gedeeltelijk andere conclusies dan de rechtbank. Opvallend aan ‘s hofs arrest is de mate waarin het zijn oordeel mee laat bepalen door politieke gebeurtenissen en omstandigheden: politieke verantwoordelijkheid en een interpellatie zijn voor het hof aanknopingspunten bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van het gedrag van de fractievoorzitter.

Met de rechtbank meent het hof dat er geen absolute hiërarchie is tussen het recht op vrije meningsuiting enerzijds en het recht op bescherming in de eer en goede naam en de persoonlijke levenssfeer anderzijds. Van bijzonder belang vindt het hof dat de uitlatingen zijn gedaan in een politieke arena. Het wil daarom de grootst mogelijke terughoudendheid betrachten bij het stellen van beperkingen aan de vrije meningsuiting. Onder verwijzing naar enkele standaarduitspraken van het EHRM stelt het hof vast dat meningsuitingen van politici naar hun inhoud en vorm onder art. 10 EVRM een krachtige bescherming genieten. Dergelijke uitingen mogen zelfs beledigen, choqueren en verontrusten. Vrije meningsuiting en incasseringsvermogen in de politieke arena zijn in de Straatsburgse benadering als communicerende vaten: een politicus mag meer zeggen maar moet ook meer dulden.

Anders dan de rechtbank maakt het hof geen onderscheid tussen uitlatingen die gedaan zijn vóór B.’s aftreden en de latere beschuldigingen. Alle uitlatingen van de fractievoorzitter over de wethouder betroffen B. in zijn hoedanigheid van publiek figuur. Daarom geldt voor de rechtmatigheidstoets van al die uitlatingen dat ze mogen beledigen, choqueren en verontrusten.

Het hof bepaalt van elk van de gondel-publicaties van de fractievoorzitter of ze onrechtmatig waren. Het oordeel luidt steeds negatief: de feiten die de fractievoorzitter ten tijde van zijn uitlatingen bekend waren ondersteunden zijn stellingen. De juistheid van sommige van die uitlatingen is bovendien later gebleken uit de videobeelden, de geluidsopname en de verhoren van de rijksrecherche. De rechtbank verweet de fractievoorzitter dat hij zijn uitlatingen herhaalde, maar volgens het hof miskende de rechtbank met dat verwijt dat het publieke debat over de gondelaffaire ook na de afronding van het interne onderzoek werd voortgezet. Zo is er in november 2005 nog een interpellatie gehouden in de raad. Het tussentijds aftreden van de wethouder hoefde voor de fractievoorzitter dan ook geen aanleiding te zijn om te stoppen met zijn beschuldigende uitlatingen nu het onderwerp actueel bleef. De opvolger van B. droeg immers politieke verantwoordelijkheid voor zijn ambtsvoorganger.
Van één publicatie lijkt het hof te vinden dat de grenzen van de uitingsvrijheid wel erg dicht worden genaderd. Het betreft het verslag dat de fractievoorzitter uitbrengt van zijn vakantie in Polen. Vastgeroeste wissels op een spoorbaan bij het vernietigingskamp Auschwitz herinnerden hem aan zijn onvermogen een koerswijziging in de Delftse politiek te bewerkstelligen. Die vergelijking kan als ongepast, smakeloos of schokkend worden ervaren. Nu de vergelijking van de Delftse politiek met het lot van de oorlogsslachtoffers in de publicatie slechts een marginale rol speelt, meent het hof dat van onrechtmatigheid evenwel geen sprake is. Dat het hof hier twijfelt, blijkt uit een obiter dictum. Voor zover je anders zou denken over de rechtmatigheid van het Auschwitz-artikel ontbreekt een causaal verband tussen deze publicatie en de schade die de wethouder in deze zaak stelt te lijden. Gelet op de overige rechtmatige publicaties en de daardoor ontstane publiciteit voegt het reisverslag immers niets toe.

Waar de fractievoorzitter optrad als klokkenluider, was de restauranthouder volgens het hof vooral bezig met de financiering van zijn gondeltochtjes. Het hof vindt de openbaarmaking van de video- en geluidsopnames daarom disproportioneel en dus onrechtmatig. Dat de restauranthouder de video- en geluidsopnames heeft vernietigd, wordt hem zwaar aangerekend. Hij ontnam daarmee de wethouder de mogelijkheid aan te tonen dat B’s uitlatingen uit hun context waren gehaald. Het rechtbankvonnis waarbij D. werd veroordeeld tot schadevergoeding aan de ex-wethouder wordt bekrachtigd.

Het arrest van het hof maakt een afgewogen indruk. Dat elk de publicaties van de fractievoorzitter, hier en daar met hangen en wurgen, de rechtmatigheidstoets kan doorstaan hangt belangrijk samen met het feit dat de publicaties en uitlatingen zijn gedaan in de context van het politieke debat. Een interessante vraag is of dit arrest van belang kan zijn in de strafzaak tegen het kamerlid Wilders zoals door het Amsterdamse hof bevolen. In beide zaken is art.10 EVRM van cruciale betekenis. De strafrechter moet nu bepalen of Wilders’ uitlatingen over (aspecten van) de islam meer doen dan “offend, shock or disturb”.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 Joke Mizée 07/04/2010 om 15:49

Mensenrechtenspecialist Rick Lawson heeft sterk bijgedragen aan de beslissing van het Hof van Am*dam om Wilders te vervolgen, o.m. door zijn artikel Wild, Wilder, Wildst (NJCM nr. 4 2008). Hij stelt dat er bij het EHRM recente jurisprudentie ligt volgens welke parlementariërs juist extra verantwoordelijkheid dragen voor wat ze zeggen. Samenvattend zei hij over de omgang met art. 10 door het EHRM: Maar er zijn ook recentere uitspraken, zoals Zana vs. Turkije (’97) en Erbakan (’06), die illustreren dat aanzetten tot intolerantie de grenzen van de vrijheid van meningsuiting te buiten gaat. Ook in het geval van overtreding van art. 17 EVRM (Misbruik van Recht) biedt een beroep op art. 10 geen soelaas (Norwoord vs. UK, ’03). Conclusie: het Hof van Amsterdam heeft beter naar Straatsburg gekeken – m.n. naar recente jurisprudentie – dan het OM.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: