Once upon a time in Amsterdam-Noord

door GB op 07/08/2009

in Rechtspraak

Er is een nieuwe aflevering in de soap ‘het vestigen van de rechtsstaat in Amsterdam-Noord’. De voorzieningenrechter heeft namelijk de eis van de winkeliers om een dwangsom op te leggen aan andere winkeliers, afgewezen.

Eerder had een voorzieningenrechter de vrijstelling van de verplichting uit de Winkeltijdenwet ‘buiten werking gesteld’. Maar het Stadsdeel zette dit rechterlijk oordeel niet om in effectief handhaven. De winkeliers vroegen daarop aan de civiele rechter een verbod tot openstelling wilde, gecombineerd met een dwangsom. Je moet tenslotte iets, als de overheid weigert om rechterlijke uitspraken fatsoenlijk uit te voeren. Maar juridisch is dit soort parallele handhaving een complex verhaal, blijkt uit de uitspraak.

De ingang is de onrechtmatige daad die de C1000 zou plegen door open te zijn. De eerste hobbel die dan moet worden genomen is de ontvankelijkheid van eisers. Via dat leerstuk probeert de civiele rechter uit het vaarwater van de bestuursrechter te blijven. De regel is: als je bij de bestuursrechter terecht kunt, dan moet je ook daar aankloppen. De voorzieningenrechter vindt niet dat de winkeliers naar de bestuursrechter moeten, omdat zij daar niet ‘hetzelfde’ kunnen krijgen als bij de civiele rechter, namelijk een titel om zelf te executeren.

Maar na het nemen van de eerste hobbel zijn er nog heel wat beren op de weg. Allereerst heeft de buitenwerkingstelling geen rechtskracht jegens de winkels die immers niet betrokken waren bij de procedure waarin die buitenwerkingstelling is uitgesproken. Daarbij komt ook het bijzondere van de ‘buitenwerkingstelling’ in dit verband boven tafel. Technisch gezien is een buitenwerkingstelling namelijk een ‘in algemene termen vervat verbod aan het bestuursorgaan om zich te onthouden van gedragingen die op de werking van die algemene regeling zijn gegrond’. De voorzieningenrechter: ‘Hier is van zo’n verbod aan het Stadsdeel geen sprake en dient nader handelen van het Stadsdeel plaats te vinden om aan artikel 11 van de Deelraadverordening zijn werking te ontnemen, zodat derden zoals gedaagden zich daarop niet meer kunnen beroepen.’ Heeft de vorige voorzieningenrechter dan niet terloops een wetgevingsbevel gegeven waar zoveel om te doen is? Het Stadsdeel is namelijk verplicht om de vrijstelling niet meer te laten werken, maar dat kan zij niet doen door (uitvoerings)handelingen achterwege te laten, maar alleen maar door de vrijstelling weer in te trekken. Gelukkig is er hoger beroep aangetekend tegen de buitenwerkingstelling zodat we daar ongetwijfeld nog meer van zullen horen.

In de kern van het vonnis keert de voorzieningenrechter terug naar zijn taak als burgerlijke rechter. Voor een verbod en dwangsom moet komen vast te staan dat ‘i) gedaagden in strijd handelen met een wettelijk voorschrift dat de strekking heeft de belangen van eisers te beschermen, ii) eisers door het handelen van gedaagden schade dreigen te lijden welke schade bovendien iii) in voldoende causaal verband staat met het handelen van gedaagden. Aan al deze eisen moet niet alleen in zijn algemeenheid, maar tevens in de relatie tussen elke individuele eiser en elke individuele gedaagde worden voldaan. Dat is niet het geval.’ Vage algemeenheden over concurrentiebelangen redden het dan niet.

De voorzieningenrechter kiest er tenslotte niet voor om een algemene ongeschreven betamelijkheidsnorm te introduceren die de C1000 zou verplichten om zich naar rechterlijke uitspraken te voegen die het Stadsdeel vertikt fatsoenlijk uit te voeren, een norm die dan het belang van iedereen dat dit wel gebeurt beschermt. Dat zou ook een moeizame bedoening zijn geworden.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: