Onjuiste rechtstoepassing: onrecht of weggegooid geld?

door IvorenToga op 16/04/2013

in Rechtspraak

Post image for Onjuiste rechtstoepassing: onrecht of weggegooid geld?

Ik begin deze blog met een gesloten quizvraag:

Mag een zaak worden uitgesproken in afwezigheid van een verdachte, wanneer hij vastzit en niet uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van zijn recht bij de uitspraak in zijn zaak tegenwoordig te zijn?

“Nee”, dachten de rechters, de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie en de griffier, die midden op een drukke zittingsdag erachter kwamen dat een van de gedetineerde verdachten niet was aangevoerd. In een tijd waarin de Europese grondrechten hoogtij vieren ligt een dergelijk antwoord ook wel voor de hand. Bovendien is de verdachte door de overheid zijn vrijheid ontnomen. Hij is dus van diezelfde overheid afhankelijk, wanneer hij bij de uitspraak in zijn zaak aanwezig wilt zijn.

De keuzes waren dus beperkt: óf er moest alsnog een door de verdachte ondertekende verklaring komen dat hij afstand deed van zijn recht bij de uitspraak aanwezig te zijn, óf verdachte moest gewoonweg worden opgehaald uit de gevangenis, óf de voorzitter en de griffier zouden aan het einde van de dag naar de gevangenis moeten afreizen om de uitspraak daar in aanwezigheid van de verdachte te doen.

Het verkrijgen van een afstandsverklaring lijkt de minste moeite te kosten. Met die opdracht duiken de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie en de griffier hun organisatie in.

Bij het openbaar ministerie wordt de verantwoordelijke medewerker aangesproken op het niet regelen van het transport. Hij belt daarvoor eerst met de griffier die twee weken daarvoor bij de behandeling van onze verdachte aanwezig was. Zij geeft aan dat de verdachte niet bij de behandeling van zijn zaak aanwezig was en daarvan ook afstand heeft gedaan. De bij het openbaar ministerie verantwoordelijke medewerker denkt dat daarmee de kous af is.

Niet dus: even later belt de naar boven gesnelde griffier de leidinggevende van deze medewerker met de mededeling dat er toch echt een afstandsverklaring moet komen en dat anders de verdachte bij de gevangenis moet worden opgehaald. Deze leidinggevende geeft de griffier echter te kennen dat dat niet hoeft, omdat het openbaar ministerie van de griffier van twee weken geleden reeds heeft vernomen dat de verdachte al afstand heeft gedaan. De griffier gaat weer terug naar zijn collega en zij vertelt hem wat zij zo-even richting het openbaar ministerie heeft gecommuniceerd. Conclusie: er moet toch echt een afstandsverklaring komen. Dat wordt de leidinggevende bij het openbaar ministerie te kennen gegeven en die zet haar medewerker aan de slag. De gevangenis wordt gebeld, daar wordt – zo veronderstel ik – ook weer een aantal medewerkers met de klus belast en uiteindelijk na veel vijven en zessen is de afstandsverklaring daar.

Voordat de griffier naar de zittingszaal terugkeert, toetst hij zijn handelen bij twee ervaren collega’s. Het is toch gek dat het openbaar ministerie niet nagaat of een gedetineerde verdachte bij zijn uitspraak tegenwoordig wil zijn? Nee hoor, zegt de een, er is geen recht om aanwezig te zijn bij de uitspraak. Een gedetineerde verdachte wordt daar aan het einde van de behandeling van zijn zaak slechts naar gevraagd zodat transport geregeld kan worden. Dat is wel gek, zegt de ander, want we vragen niet voor niets aan het einde van de behandeling van een zaak aan een gedetineerde verdachte of hij “afstand wil doen van zijn recht bij de uitspraak aanwezig te zijn”.

Toch maar eens het Wetboek van Strafvordering pakken en wat valt in het eerste lid van artikel 363 van dat wetboek te lezen: ‘De verdachte die zich ter zake van het ter terechtzitting onderzochte feit in voorloopige hechtenis bevindt, is bij de uitspraak tegenwoordig, tenzij hij daartoe buiten staat is of hij mondeling of schriftelijk te kennen heeft gegeven weg te willen blijven.’ Kortom: alleen bij een verdachte die gedetineerd zit in de zaak waarop de uitspraak betrekking heeft, is een afstandsverklaring noodzakelijk wil de uitspraak buiten zijn tegenwoordigheid kunnen plaatsvinden. Verdachten die uit andere hoofde gedetineerd zijn moeten zelf hun vinger opsteken. En wat wil nu het geval: de verdachte in deze zaak was uit andere hoofde gedetineerd en had geen vinger opgestoken. Niemand had dat even nagekeken.

Het zou te simpel zijn de moraal van dit verhaal te verengen tot de noodzaak kennis van het recht te hebben. Hetzelfde geldt voor de goede en voor de hand liggende tip bij juridisch werk toch altijd even het wetboek erop na te slaan. De griffier voelde zich nogal stom, maar tegelijkertijd in goed gezelschap. Nee, de moraal van dit verhaal is dat het recht zich nooit door de organisatie mag laten leiden. Verdachten die vastzitten en bij hun uitspraak aanwezig willen zijn, moet die kans geboden worden. Ook al kost dat geld en menskracht. Bij een juiste toepassing van het recht is de organisatie er ook juist om te worden belast. Daar staat tegenover dat onjuiste toepassing van het recht de organisatie onnodig kan belasten. Het leidt dan niet tot onrecht, maar wel tot onnodig werk en daarmee het weggooien van (publiek) geld.

Rick Robroek
Stafjurist gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, wetenschappelijk medewerker vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Limburg

Deze post is de onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 a.zecha 20/04/2013 om 13:32

Het verhaal lezend kan m.i. een antwoord zijn dat bureaucratie het onrecht veroorzaakt èn tevens het meeste geld kost.
a.zecha

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: