Opinie: Bijzonder onderwijs mag homodocent weren

door Redactie op 23/06/2009

in Haagse vierkante kilometer

Onlangs stelde de ‘School met de Bijbel’ in Emst een docent op non-actief nadat hij openlijk een homoseksuele relatie was aangegaan. In de media ging er weer heel wat orthodox-religieus gedachtegoed onder het progressief-liberale vergrootglas. Ook de politiek bemoeide zich ermee, zeker toen er enkele weken later een advies van de Raad van State over de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) uitlekte.

Hoewel verontwaardigde reacties anders doen vermoeden, doet de Raad niets anders dan op basis van een Europese richtlijn nog eens met duidelijker woorden formuleren wat nationaal al lang gold. Op grond van wetsgeschiedenis en jurisprudentie mogen schoolbesturen niet iemand alleen vanwege zijn homoseksuele gerichtheid afwijzen. Wel mogen ze vanuit de grondslag van de school functie-eisen stellen die mede betrekking hebben op de levensstijl van een docent. Een ‘instelling van bijzonder onderwijs’ mag eisen stellen die, zo staat in de Awgb, “gelet op het doel van de instelling, nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag”. Volgens de Europese richtlijn (2000/78/EG) mag ze van haar medewerkers “een houding van goede trouw en loyaliteit aan de grondslag van de organisatie” verlangen. Deze houding reikt verder dan het optreden in het klaslokaal.

Lees verder

Het is niet onredelijk of in strijd met de wet dat een school van bijzonder onderwijs een docent weert die een homoseksuele relatie aangaat. Het (confessionele) bijzonder onderwijs is bijzonder omdat het op basis van een specifieke levensbeschouwing is georganiseerd en zich op voor haar wezenlijke punten mag onderscheiden, ook tegen meerderheidsopvattingen in. Omdat opvattingen over seksualiteit en relatievormen veelal een wezenlijk onderdeel uitmaken van een levensbeschouwing, kleuren deze opvattingen de identiteit van de school. Uiteraard mag van scholen worden gevraagd dat ze deze identiteit expliciet onder woorden brengen en consequent optreden, bijvoorbeeld in het personeelsbeleid.

Het onderscheid dat in de discussie wordt gemaakt tussen werk en privé is niet doorslaggevend. Er zijn nu eenmaal functies waarin de levensstijl van een persoon onlosmakelijk verbonden is met het functioneren als werknemer of ambtenaar. Meer dan in het openbaar onderwijs staat in het bijzonder onderwijs naast kennisoverdracht het overdragen en voorleven van een levensstijl centraal. Dat gaat verder dan de godsdienstles. In het bijzonder onderwijs is de functie van docent zo verweven met de identiteit van de school dat er bijzondere eisen mogen worden gesteld aan zijn woorden en daden, ook buiten het klaslokaal. Hij zal op geloofwaardige wijze de identiteit van de school moeten kunnen uitdragen.

De keuze voor een docentschap in het bijzonder onderwijs kan betekenen dat keuzevrijheden op andere vlakken worden ingeperkt. Iemand die in het bijzonder onderwijs gaat werken en tekent voor de grondslag van een school wordt geacht zich bewust te zijn van zijn verantwoordelijkheid in het uitdragen van de identiteit van de school. Het gaat daarbij niet om de opvattingen in het diepst van iemands gedachten, maar om wat naar buiten toe blijkt uit spreken en handelen. Het gaat niet om de seksuele gerichtheid, maar om de levensstijl.

De morele eis dat op respectvolle wijze met personen met een homoseksuele gerichtheid wordt omgegaan, doet niets af aan het recht dat schoolbesturen hebben om vanuit hun grondslag en functie-eisen een homoseksuele relatie af te keuren en daaruit arbeidsrechtelijke consequenties te trekken. Dat kan pijn doen en persoonlijke dilemma’s opleveren, maar dat is kenmerkend voor een grondrechtenbotsing.

Een dergelijke botsing kan met zich brengen dat de werkingssfeer van het ene grondrecht beperkt wordt door die van het andere. Dit geeft dikwijls aanleiding tot groot ongenoegen bij diegenen die op ideologische gronden nu juist het ene grondrecht belangrijker vinden dan het andere. Zo wordt de antidiscriminatiebepaling van artikel 1 van de Grondwet ten onrechte nogal eens als ‘superartikel’ beschouwd, ten koste van bijvoorbeeld de vrijheden van godsdienst (artikel 6) of onderwijs (artikel 23). Geen enkel grondrecht is echter absoluut; het komt aan op een balans.

In de discussie wordt vaak gesteld dat er met betrekking tot homoseksuele relatievorming respect moet zijn voor ‘verschil’ en ‘anders zijn’. Maar ook orthodoxe gelovigen hebben recht op dat respect. Wanneer zij als goede burgers de rechtsstaat respecteren, moeten zij binnen die kaders de vrijheid hebben om, zeker in een sterk ideologisch geladen debat als dit, beargumenteerd een andere positie te kiezen dan de (vermeende) moral majority Het is die vrijheid die wordt beschermd door de vrijheden van godsdienst en onderwijs.

[Deels gepubliceerd in Trouw, 23 juni 2009]

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: