Oplossing voor Wob-graaien

door JAdB op 10/07/2014

in Bestuursrecht, Haagse vierkante kilometer

Post image for Oplossing voor Wob-graaien

Als een bestuursorgaan niet op tijd een besluit op een aanvraag neemt, moet het daarvoor boeten. Of beter: een dwangsom betalen. Dat geldt ook als niet tijdig een besluit wordt genomen naar aanleiding van een Wob-aanvraag. De beslistermijn daarvoor is maximaal acht weken vanaf de ontvangst van de aanvraag. Het probleem met Wob-verzoeken is echter dat deze vormvrij zijn, dat de verzoeker geen belang bij zijn verzoek hoeft te hebben, en dat het verzoek op vrijwel alles kan zien. Het is dus vrij gemakkelijk om een verzoek zo in te richten, dat er onmogelijk binnen de beslistermijn kan worden voldaan, althans niet zonder daar onevenredig veel mankracht voor te moeten inzetten. Zodoende valt met het doen van oneigenlijke Wob-verzoeken geld te verdienen. Je hoeft enkel een ingewikkeld Wob-verzoek te verstoppen in een briefje aan een bestuursorgaan, af te wachten, een ingebrekestelling te sturen (dat kan trouwens ook op verdekte wijze gebeuren), en dan kan het incasseren van de dwangsommen (tot een maximum van 1260 euro) beginnen. Er schijnen zelfs bureaus te bestaan die op deze manier hun geld verdienen. Het is begrijpelijk dat hierover werd geklaagd en dat de wetgever om een oplossing werd gevraagd.

Minister Plasterk heeft zijn oplossing bij brief van 25 juni jl. uit de doeken gedaan. De zgn. Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen zal niet langer meer gelden voor de Wob. Dat lijkt mij een terecht besluit. In gevallen waarin echt sprake is van een belang bij openbaarheid, en het de verzoeker dus niet enkel gaat om dwangsommen te incasseren, kan op vrij eenvoudige wijze de rechter worden ingeschakeld om een besluit af te dwingen als het bestuursorgaan in gebreke blijft tijdig te beslissen. De rechter kan dan bepalen dat er ten onrechte niet tijdig is beslist en zelfs (hoewel dat niet vaak gebeurt) bepalen dat het bestuur een dwangsom verbeurt als het niet binnen een bepaalde termijn alsnog een beslissing geeft (art. 8:72, zesde lid Awb).

Een aantal zaken die in de brief worden besproken (of juist niet) valt op.

In de eerste plaats: toen de Wet dwangsom door de Eerste Kamer kwam, ontstond snel het inzicht dat bepaalde beslistermijnen zodanig krap waren dat ze niet vaak werden gehaald. Om te voorkomen dat in die gevallen dwangsommen zouden worden verbeurd, werden deze beslistermijnen opgeschroefd. Die van de Wob ging van twee weken (+ evt. twee weken verdaging) naar vier weken (+ evt. vier weken verdaging). Deze wetswijziging werd expliciet gekoppeld aan de invoering van de Wet dwangsom:

Het vorenstaande vormde de grond voor de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 maart 2008 (Kamerstukken II, 2007/08, 29 934, nr. 24). Daarin is bericht dat de Koningin eerst wordt verzocht de Wet dwangsom te bekrachtigen, indien verzekerd is dat tegelijk met de inwerkingtreding van de Wet dwangsom de hiervoor bedoelde beslistermijnen zijn aangepast, met dien verstande dat de regeling uiterlijk 1 januari 2010 in werking treedt. Dit wetsvoorstel voorziet in die aanpassing. Het wetsvoorstel wordt mede namens de minister van Justitie toegelicht vanwege diens medebetrokkenheid bij de Algemene wet bestuursrecht. (Kamerstukken II 2008-2009, 31 751, nr. 3)

De vraag is of de verlenging van de beslistermijn nu ook weer wordt teruggebracht naar twee weken, als de Wet dwangsom niet langer geldt voor de Wob. Gelet op voornoemde koppeling valt daar wat voor te zeggen. Aan de andere kant moet echter ook worden vastgesteld dat de twee wekentermijn uit de Wob door bestuursorganen niet vaak werd gehaald en ook niet kón worden gehaald gelet op de complexiteit van veel verzoeken en de beperkte beschikbare mankracht. Het is nutteloos om beslistermijnen in de wet op te nemen die praktisch onwerkbaar zijn: daarmee krijgt een dergelijke beslistermijn het karakter van symboolwetgeving; niemand schiet daar iets mee op. De burger niet, het bestuur niet, en ook niet de rechterlijke macht, die te maken zal krijgen met onnodig veel procedures over niet tijdig beslissen. Ik kan me om die reden voorstellen dat de huidige beslistermijn zal blijven gelden, ook als de Wet dwangsom niet langer van toepassing is op de Wob. In hoeverre de huidige beslistermijn eigenlijk pleegt te worden gehaald, weet ik trouwens niet.

De Minster wijst in zijn brief verder op een aantal procedurele “maatregelen” die hier bespreking behoeven. Ik bespreek daarbij de vragen of een wijziging van de Awb nodig is om deze maatregelen te bewerkstelligen, en in hoeverre deze maatregelen wenselijk zijn.

Als er beroep wordt ingesteld bij niet tijdig beslissen, is het uitgangspunt dat, als dit beroep gegrond wordt verklaard, de rechter het bestuur opdraagt binnen twee weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Zie art. 8:55d, eerste lid Awb. Als het Wob-verzoek niet kan worden afgehandeld binnen de wettelijke beslistermijn omdat het te moeilijk blijkt alle informatie te achterhalen (bijvoorbeeld omdat het om te veel informatie gaat) en tevens blijkt dat ook de tweewekentermijn die de rechter normaal gesproken stelt niet kan worden gehaald, dient volgens Plasterk op dit uitgangspunt een uitzondering te worden gemaakt. Op zich lijkt me dat redelijk, zolang in die zaken ook maar echt duidelijk is dat het bestuursorgaan redelijkerwijs niet bij machte is deze termijnen te halen. De rechter moet niet al te gemakkelijk een uitzondering maken op het uitgangspunt van art. 8:55d Awb. Verder moet de bewijslast van deze onmacht bij het bestuursorgaan liggen. Het is immers het bestuursorgaan dat niet aan zijn wettelijke verplichting om tijdig te beslissen kan voldoen. Overigens is het niet nodig te Awb te wijzigen om dit plan van Plasterk te bewerkstelligen. Zie art. 8:55d lid 3 Awb: “In bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.”

Plasterk wijst verder nog op de mogelijkheid voor burgers en bestuursorganen om de beslistermijn in onderling overleg op te schorten. In gevallen waarin de beslistermijn redelijkerwijs niet kan worden gehaald, kan het echter toch zo zijn dat hierover niet tot overeenstemming kan worden gekomen. De burger kan dan een beroepsprocedure wegens niet tijdig beslissen aanhangig maken. Als de beslistermijn is overschreden, zal dit beroep gegrond worden verklaard en zullen de gemaakte proceskosten en de griffierechten moeten worden vergoed door het bestuursorgaan. Volgens Plasterk is dit niet altijd redelijk:

Indien aannemelijk is dat de opstelling van verzoeker ertoe heeft geleid dat geen overeenstemming is bereikt over de opschorting van de beslistermijn, kan het echter onbillijk zijn als hij voor die vergoedingen in aanmerking zou komen. Het kabinet is dan ook van oordeel dat de bestuursrechter, de omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, in afwijking van het bepaalde in de Awb deze vergoedingen achterwege moet kunnen laten.

Ten aanzien van de proceskostenvergoeding (art. 8:75 Awb) is er geen wijziging van de wet nodig om dit te bewerkstelligen. De rechter heeft de bevoegdheid, niet de verplichting, om het bestuursorgaan in de proceskosten te veroordelen. Omstandigheden als door de minister genoemd, kunnen daarbij een rol spelen. Normaal gesproken veroordeelt de rechter het bestuursorgaan in de proceskosten echter reeds zodra het beroep gegrond wordt verklaard. Dit plan van Plasterk vereist dus een wijziging in de jurisprudentie (maar deze kan natuurlijk ook worden afgedwongen door een wetswijziging).

Ten aanzien van de griffierechten geldt dat wel een wetswijziging nodig is. Art. 8:74 Awb bepaalt immers dat de griffierechten moeten worden vergoed zodra een beroep gegrond wordt verklaard.

Tegen deze voorgestelde maatregel heb ik een aantal bezwaren. In de eerste plaats een principiële: het komt mij vreemd voor dat de kosten van een terecht gevoerde procedure (het bestuur schendt immers een op hem rustende wettelijke verplichting!) voor rekening van de burger zouden moeten blijven.

In de tweede plaats wordt hiermee het risico van niet tijdig beslissen voor een deel op de schouders van de burger gelegd, terwijl hij niet altijd de informatie heeft om dit risico te kunnen dragen. De burger kan moeilijk inschatten hoeveel tijd er precies nodig is om de gevraagde informatie boven tafel te krijgen: daar is o.a. inzicht in de ambtelijke organisatie voor nodig. Het bestuursorgaan kan daardoor vrij gemakkelijk stellen dat het allemaal moeilijk, moeilijk is en dat op tijd beslissen er niet in zit, zelfs als het feitelijk vrij gemakkelijk is om de informatie op te zoeken. Als de burger vervolgens wordt gevraagd om in te stemmen met opschorting van de termijn, kan hij ofwel slikken, ofwel de confrontatie opzoeken door het bestuur te houden aan de wettelijke beslistermijn mét het risico dat hij vervolgens zelf de proceskosten en griffierechten moet dragen. Die keuze kan hij, omdat de burger slecht kan inschatten of het opschortingsverzoek redelijk is, niet geïnformeerd maken. Het lijkt mij, mede gelet op het feit dat het bestuursorgaan in strijd met de wet handelt, dan ook niet juist de burger met dit risico op te zadelen.

In de derde plaats wordt de rechter met extra werk opgezadeld. Wat normaal gesproken tamelijk eenvoudige zaken zijn – is er niet tijdig beslist? zo ja, beroep gegrond, termijn van twee weken vaststellen, en een veroordeling in de griffierechten en de proceskosten – kan ineens complex worden, doordat de rechter zich moet afvragen of er termen aanwezig zijn om geen kostenveroordeling uit te spreken.

Al met al is het voornemen van Plasterk toe te juichen, alhoewel aan de procedurele kant van de zaak nog wel wat haken en ogen zitten.

{ 6 reacties… read them below or add one }

1 j smith 10/07/2014 om 16:56

De oplossing van de minister is zowel te eng als te ruim. Waarom zou hij zich beperken tot misbruik van de Wob? Zouden de veronderstelde premiejagers geen andere aanvragen kunnen bedenken?

Anderzijds: waarom zou de dwangsomregeling niet gehandhaafd mogen worden als wapen tegen onnodig trage behandeling van volstrekt legitieme wob-verzoeken?

Is het niet veel doeltreffender art. 4.17 lid 6 letter c Awb te amenderen door te bepalen dat (ook) geen dwangsom verschuldigd is als de aanvraag kennelijk in overwegende mate is gepleegd om de dwangsom te ontvangen?

Tenslotte: waaruit blijkt dat het door de minister gesignaleerde rechtsmisbruik nu al niet adequaat door de bestuursrechter wordt bestreden? Zou het kunnen dat bestuursorganen zelf te vroeg capituleren?

2 Rove (not Karl) 31/07/2014 om 15:11

Oei. Dat is vervelend nieuws voor raadslid (te Maasgouw) en Statenlid (PS Limburg) Clemens Meerts (en zijn wel/niet-partner)…

http://www.binnenlandsbestuur.nl/bestuur-en-organisatie/nieuws/raads-en-statenlid-meerts-strijkt-via-partner-wob.9438229.lynkx

3 Marlies van Eck 03/08/2014 om 23:17

Wobgraaien? Een oplossing voor een probleem? Wat zou hier het probleem zijn? Ik heb wel een idee hoor, die paar mensen die het verzieken voor de rest. Tijdens de zomervakantie veel verzoekjes naar allerlei afdelingen sturen, lekker korte termijn, hopen op vakantie en geen enkele onderlinge afstemming en tadaaaa, daar komt het geld. We kennen de verhalen, maar in hoeverre deze op waarheid berusten weten we volgens mij niet. Wat weten we wel? Dat de overheid consequent zijn eigen invulling aan de Wob blijft geven. Wachten op verzoeken in plaats van actieve openbaarmaking bijvoorbeeld. Dan valt er weinig over voor die enkele ‘wobgraaier’. Zou een oplossing kunnen zijn van het ‘probleem’. Of bijvoorbeeld nu echt werk maken van de visie van het kabinet zelf: als partner van het open government partnership program.
http://www.rijksoverheid.nl/bestanden/documenten-en-publicaties/rapporten/2013/09/01/visie-open-overheid/visie-open-overheid.pdf
Maar goed, we kunnen nu zelf reageren op internet met de consultatie. Waar de wetgever zich overigens bedient van een bekende werkwijze: in de zomervakantie en binnen vier weken kunt u reageren!

4 Marlies van Eck 03/08/2014 om 23:23
5 JADB 14/08/2014 om 12:42

Het probleem is geconstateerd door een commissie onder leiding van prof. Schueler, en is beschreven in het onderzoeksrapport “Evaluatie van een drietal versnellingsinstrumenten uit de Awb”.

6 Marlies van Eck 14/08/2014 om 16:32

Dank voor de reactie. Hierbij de link. http://wodc.nl/images/2172-volledige-tekst_tcm44-520750.pdf
Ik snap dat de overheid zelf brieven van burgers als oneigenlijk aanmerkt. Deze opvatting komt terug als zij vervolgens deelnemen aan interviews en zelf schrijven over een ‘relevante’ groep burgers.
Mijn idee is echter dat het niet zozeer aan die brievenschrijvers ligt, maar aan het feit dat de overheid zo ontzettend weinig openbaar maakt uit eigen beweging. Ik ben zelf ambtenaar en heb een grondige hekel aan het afwikkelen van Wob-verzoeken. Waarom? Omdat het mij ook veel tijd kost alle informatie bij elkaar te krijgen. En ik soms ook niet in staat ben een hoger achterliggend recht op openbaar bestuur doel te zien in zo’n brief. En wat als een journalist een verzoek indient? Een beetje ambtenaar schrikt zich dan een hoedje: kennelijk is er iets aan de hand met die stukken, laat ik maar eens even goed gaan opletten. Veel zaken dus die mij best tot de stelling zou kunnen verleiden dat de Wob verzoeken oneigenlijk zijn. Maar is dat wel zo? Niets is fijner dan een Wobverzoek direct te behandelen door te schrijven dat alles al openbaar is, met een linkje erbij. We hebben steeds meer open data, zelfs ook open spending. Zou ik dan ook een Wob verzoek als oneigenlijk aanmerken? Of wijzen de ‘wobgraaiers’ de overheid op iets anders? Een gebrek aan adequate uitvoering van de Wob?

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: