Over bloedverwante mantelzorgers en relationeel bestuursrecht

door GB op 09/12/2016

in Bestuursrecht, Recensies, Rechtspraak

Post image for Over bloedverwante mantelzorgers en relationeel bestuursrecht

Als een werkloze broer voor zijn inwonende zus gaat zorgen, dan wordt hij niet gekort op zijn bijstand. Als zijn jeugdvriend om dezelfde reden bij hem intrekt, dan kost hem dat wel een deel van zijn bijstand. De bloedgabbers vormen dan immers een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 lid 3 Participatiewet en krijgen dus de kostendelersnorm toegepast. Tot deze week. Het voordeeltje dat de wetgever aan zorgzame tweedegraadsverwanten heeft willen geven, werkt volgens de Centrale Raad van Beroep onrechtmatig uit ten opzichte van al die andere ongehuwden die voor elkaar zorgen en die wel gewoon gekort worden.

De specifieke uitzondering voor tweedegraadsverwanten is het resultaat van een amendement uit 2002 van het Kamerlid Noorman-Den Uyl (eerstegraads, inderdaad). Zonder discussie ging dat toen niet. De staatssecretaris vroeg zich meteen al af of het niet willekeurig was om alleen bloedverwanten van de kostendelersnorm uit te zonderen. Maar Noorman-Den Uyl hield vol. Ze zag een ‘klemmend maatschappelijk probleem’ dat ‘een relatief kleine groep mensen betreft’ en wist waarschijnlijk ook overigens hoe je in de politiek je zin moet krijgen. Haar amendement belandde in ieder geval in de wet. Maar het verhaal blijft slecht, aldus alsnog de Centrale Raad:

Dat het zou gaan om een kleine groep en een klemmend maatschappelijk probleem, zoals bij de indiening van het amendement Noorman-Den Uyl is gesteld, kan al evenmin een rechtvaardiging zijn om een andere, mogelijk veel grotere, groep met hetzelfde probleem anders te behandelen. Verder is het een feit van algemene bekendheid dat in de huidige tijd familiebanden bij de invulling van concrete zorg niet langer allesbepalend zijn. Zo komt het regelmatig voor dat een intensieve zorgrelatie aanwezig is tussen personen met een speciale band zonder dat sprake is van enige bloedverwantschap.

Waarschijnlijk zal Lukas van den Berge de uitspraak met knorrende instemming lezen. Vorige maand promoveerde hij in Utrecht op een mooi onderzoek naar de gevaren van een eenzijdig ‘autonome’ bestuursrechtbeoefening. Als het alleen maar om de zuivere toepassing van de logische begrippen gaat, krijgen we een autistische rechtspraak waarin het belangrijker is dat de operatie slaagt dan dat de patiënt overleeft. Het bestuursrecht wordt dan niet alleen overbodig omdat het geen geschillen meer beslecht maar het wordt ook nog eens gevaarlijk omdat het verhoudingen juridiseert. Daarom moeten we volgens Van den Berge altijd ook streven naar ‘relationeel bestuursrecht’ waarin de feiten ertoe doen en waarin werkelijk recht wordt gedaan aan en in het individuele geval.

De feiten doen er bepaald toe in deze uitspraak. De rechters overwegen eenvoudig dat ‘iedereen wel weet’ dat familiebanden veel minder bepalend zijn voor zorgrelaties dan de wetgever kennelijk denkt. Ze hebben vanuit hun ivoren toren in Utrecht nog eens rondgekeken en gezien dat ‘het regelmatig voorkomt’ dat mensen voor inwonende niet-bloedverwanten zorgen. Dus moet een op zich helderheid scheppende formeelwettelijke bepaling buiten toepassing blijven. Relationeler kan je het bijna niet hebben.

Of echter ook in dit individuele geval recht wordt gedaan, valt nog te bezien. Zoals altijd bij de handhaving van inhoudelijk ‘lege’ discriminatieverboden is het juridische probleem beperkt tot het feit dat er verschil gemaakt wordt. Of het bijstandsvoordeeltje voor zorgzame broers en zussen moet worden uitgebreid naar alle ongehuwde mantelzorgers, danwel dat juist ook de bloedverwanten moeten worden gekort, is daarmee niet gegeven. Rechters beginnen in dat soort gevallen dan ook vaak te sputteren over de grenzen van hun rechtsvormende taak, om de hete aardappel vervolgens door te schuiven naar de wetgever. Wat in dit geval de bedoeling is, blijft een beetje onduidelijk. De Raad bepaalt dat de Participatiewet buiten toepassing moet blijven ‘voor zover de uitzondering wegens het bestaan van een zorgbehoefte is beperkt tot bloedverwanten in de tweede graad’ en vernietigt vervolgens het besluit omdat het op die bepaling zou zijn gebaseerd. Evenmin kunnen de rechtsgevolgen in stand blijven. Dat lijkt allemaal te suggereren dat appelante voor de begunstigende uitzondering in aanmerking moet komen en de doorgevoerde samenwoningskorting op haar bijstand dus moet worden teruggedraaid. Maar dat durft de Centrale Raad dan ook weer niet te doen. Daarvoor is ‘onvoldoende duidelijk geworden’ hoe de feiten liggen en of ‘de kostendelersnorm wel zonder meer van toepassing is’.

Waarom eerst de toepasselijkheid van de hoofdregel moet worden vastgesteld als sowieso de uitzondering opgaat, ontgaat mij vooralsnog. Maar misschien wil ik het systeem te kloppend maken.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: