Over projectuitvoeringsbesluiten en van rechtswege schorsing

door JAdB op 29/06/2011

in Bestuursrecht, Rechtspraak

Als een belanghebbende het niet eens is met een besluit (bijvoorbeeld een vergunningverlening) kan hij daartegen in bezwaar en in beroep. Die rechtsmiddelen schorsen echter niet de werking van het besluit. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld een houder van een bouwvergunning (tegenwoordig: omgevingsvergunning) gewoon mag bouwen, ook al loopt er een bezwaar-/beroepsprocedure tegen die vergunning. Daar kleven natuurlijk risico’s aan. Als blijkt dat de bouwvergunning niet verleend had mogen worden, is het op basis van de vergunning gebouwde bouwwerk onrechtmatig aanwezig. Het moet dan weer worden gesloopt.

Hangende een bezwaar of beroep, kan een belanghebbende een voorlopige voorziening vragen bij de bestuursrechter. Meestal vraagt de belanghebbende dan om een schorsing van het besluit (zoals de bouwvergunning, de last onder dwangsom), zolang de bodemprocedure nog niet is afgerond.

In sommige gevallen zijn de rollen echter omgedraaid. Een bezwaar of beroep schorst het besluit dan van rechtswege. Zie bijvoorbeeld art. 17 Monumentenwet 1988. De wetgever vindt Rijksmonumenten zo belangrijk, dat voorkomen moet worden dat daaraan onherstelbare schade kan worden toegebracht, als nog onzeker is of de verleende monumentenvergunning wel rechtmatig is verleend. Bij monumentenvergunningen heeft de houder van die vergunning de mogelijkheid om de van rechtswege schorsing op te laten heffen, door – jawel – een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter te vragen.

De Crisis- en herstelwet (Chw) kent een soortgelijk systeem. Projectuitvoeringsbesluiten (Pub)  – kort gezegd besluiten voor grotere projecten, waarin een hoop publiekrechtelijke toestemmingen zijn samengebald en waarop veel korter durende procedures van toepassing zijn – zijn ook van rechtswege geschorst, zolang er een beroep tegen aanhangig is bij de Raad van State (die in eerste en enige instantie bevoegd is). De Chw bepaalt echter niet dat degene ten behoeve waarvan het Pub is genomen (doorgaans een ontwikkelaar), een voorlopige voorziening kan vragen om deze van rechtswege schorsing te doen beëindigen.

De vraag of een dergelijk verzoek voorlopige voorziening toch mogelijk was, lag voor in Vzr. ABRvS 24 februari 2011, 201100873/3

De ontwikkelaar, die het verzoek indiende, had kennelijk haast: het tegen ‘zijn’ Pub gerichte beroep schorste de werking daarvan, en dat vertraagde nodeloos. Dus toog de ontwikkelaar naar de voorzieningenrechter van de Raad van State, met het verzoek om deze van rechtswege schorsing op te heffen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek van de ontwikkelaar als kennelijk ongegrond diende te worden afgewezen. Want, zo redeneerde de rechter, de Chw kent geen bepaling waarin staat dat het is toegestaan om zo’n verzoek voorlopige voorziening in te dienen, terwijl de wetgever, blijkens de wetsgeschiedenis, uitdrukkelijk voor het systeem van de van rechtswege schorsing gekozen. Daardoor kan namelijk worden voorkomen dat er ingrijpende en onomkeerbare gevolgen aan de fysieke leefomgeving worden toegebracht, terwijl die van rechtswege schorsing bovendien niet al te bezwarend is, aangezien de rechter binnen zes maanden uitspraak moet doen op het beroep.

Behalve onder uitzonderlijke omstandigheden, is het dan ook niet mogelijk om een voorlopige voorziening te vragen tot opheffing van de van rechtswege schorsing van een Pub, aldus de voorzieningenrechter. 

De gedachte van de rechter kan ik op zichzelf wel volgen. Uitgangspunt is de van rechtswege schorsing. Aangezien het gaat om zeer ingrijpende besluiten, en de beroepsprocedure relatief snel wordt afgerond, moet er heel wat aan de hand zijn, wil een opheffing van de van rechtswege schorsing worden bevolen. Bijvoorbeeld: een beroepschrift dat werkelijk kant noch wal raakt, of zeer grote, spoedeisende belangen aan de zijde van de projectontwikkelaar.

Bij de manier waarop de rechter dit resultaat bereikt, heb ik echter mijn vraagtekens. De Awb bepaalt dat je een voorlopige voorziening kunt vragen, als er een bezwaar of beroep tegen een besluit aanhangig is (art. 8:81 Awb). De Chw maakt op die regel geen uitzondering. Om die reden moet de rechter het door de ontwikkelaar ingediende verzoek normaal beoordelen. Dat doet de rechter in casu niet: door het verzoek kennelijk ongegrond te verklaren, doet hij het voorkomen alsof de wet hem helemaal geen ruimte biedt om het verzoek te beoordelen. Aan de andere kant wil de voorzieningenrechter die conclusie ook weer niet helemaal doortrekken, door te overwegen dat e.e.a. onder uitzonderlijke omstandigheden anders kan zijn.

Daarmee is de uitspraak niet alleen in strijd met het wettelijk systeem, maar hinkt zij ook op twee gedachten. Dat verwondert, te meer daar hetzelfde resultaat ook had kunnen worden bereikt door middel van een normale beoordeling van het verzoek voorlopige voorziening, waarin veel gewicht zou zijn toegekend aan de ingrijpendheid van het Pub en de korte afhandelingstermijn van het beroep bij de Raad van State.

{ 3 reacties… read them below or add one }

1 Johan van der Toolen 30/06/2011 om 10:34

Kennelijk niet-ontvankelijk betekent: zo duidelijk niet-ontvankelijk dat daarover in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. Hoe kan je dan nog spreken van uitzonderlijke omstandigheden? Want dat oordeel kan slechts worden gegeven door inhoudelijk op de gestelde rechtsvraag in te gaan, en dat doet men niet bij een niet-ontvankelijkverklaring. Ik zou daarom liever voor het anker van “ongegrond” zijn gaan liggen, mna een inhoudelijke beoordeling van de zaak.

2 JAdB 30/06/2011 om 12:10

Johan van der Toolen:
Daar ben ik het helemaal mee eens. (Het beroep werd trouwens kennelijk ongegrondverklaard).

3 ROVE 04/07/2011 om 14:24

Merkwaardige uitspraak inderdaad. Zou e.e.a. misschien verband houden met toegenomen werkdruk bij de Afdeling? Zie:

http://www.raadvanstate.nl/agenda/nieuws/nieuwsbericht/?news_id=150

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: