Pak-ze-jurisprudentie en het rookverbod

door GB op 05/06/2012

in Rechtspraak

Post image for Pak-ze-jurisprudentie en het rookverbod

Procedures over het rookverbod kennen we vooral in de vorm waarbij rokers kwaad zijn. Maar nadat het kabinet Rutte de hardwerkende Nederlander zijn sjekkie in de buurtkroeg weer gunde, meldden de niet-rokers zich aan het juridische loket. Vorige week werd de uitspraak gepubliceerd. Het kabinet was niet buiten de door de Tabakswet geboden bevoegdheden getreden, het aangeroepen internationale recht was te vaag om rechtstreeks te werken en het beroep op discriminatie te weinig onderbouwd. Waarna afwijzing van de vordering volgt.

Staatsrechtelijk valt deze procedure in een interessante categorie: een poging om via de vertrouwde negatieve uitspraakbevoegdheden van de civiele rechter (de uitzondering voor kleine café’s moest ‘onverbindend worden verklaard’) feitelijk een positieve uitbreiding van strafbaarheid te bereiken. De Staat moest namelijk ook geboden worden het aldus algemeen geldend geworden rookverbod te gaan handhaven in kleine kroegen. Dat was althans de eis. Eerdere voorbeelden van deze figuur zijn de pogingen van de Amsterdamse civiele rechter om het Stadsdeel Amsterdam-Noord te dwingen tot het handhaven van het verbod winkels open te hebben omdat de inzet van de toerismebepaling onrechtmatig was. Je hebt pluk-ze-wetgeving. Dit is pak-ze-jurisprudentie.

De staatsrechtelijke complicaties tegen dergelijke rechterlijke interventies springen snel in het oog. Niets vermoedende winkeliers of café-eigenaren, die denken te kunnen vertrouwen op de meest recente versie van het Tabaksbesluit of de lokale verordening, krijgen toch handhaving op hun dak. Dat is in het algemeen, maar zeker in het strafrecht een juridisch probleem. Om die reden sneuvelde de Amsterdamse inspanning om het misbruik van de toerismebepaling tegen te gaan in hoger beroep. Niet in de procedure betrokken derden hoeven zich, zo oordeelde het Amsterdamse Hof, niet te conformeren aan het oordeel van de rechter en uit een buiten werking stelling (het was een kort geding) volgde ook geen verplichting voor het overheidsorgaan om maatregelen te treffen tegen deze derden die zich op een een voorschrift beroepen dat nog altijd ‘rechtskracht heeft’.

Dit soort vorderingen, negatief in vorm, positief in strekking, loopt dan ook vast in de noodzaak dat de wetgever eraan te pas moet komen om het voordeel dat derden trekken uit de onrechtmatige regelgeving te beëindigen. Er is veel voor te zeggen dat de wetgever verplicht is dat te doen, als de onrechtmatigheid onherroepelijk is komen vast te staan. Maar rechterlijke handhaving van een dergelijke conformeringsplicht leidt naar de uitgang die Wilders pas ook werd gewezen: daarvoor moet je niet bij de rechter zijn. (Voor een specifiek op pak-ze-jurisprudentie toegesneden casus, zie HR Fryslân/Faunabeheer).

In deze rokerszaak had de advocaat zich dit soort complicaties gerealiseerd. Hij vorderde een verklaring voor recht, een bevel tot handhaving en een bevel tot publicatie van het vonnis door een brief aan alle kleine cafés. Extra pikant was de eis dat de Minister van Justitie die brief moest versturen, zodat er weer een VVD-handtekening onder moest. De rechtbank komt aan de toewijsbaarheid van de vorderingen echter niet meer toe, omdat er inhoudelijk niets overeind blijft.

Toch is er misschien wat voor te zeggen dat de civiele rechter zich eerst realiseert wat voor soort interventie er van hem verwacht wordt en in hoeverre hij wil meegaan in deze pak-ze-jurisprudentie.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: