Partij voor de insecten

door Ingezonden op 30/03/2014

in Haagse vierkante kilometer, Uitgelicht

Post image for Partij voor de insecten

Politieke deugden of ondeugden worden vaak met dieren geassocieerd. Politici zijn sluwe vossen, dinosaurussen of soms rondweg aasgieren. Ik denk dat de connectie tussen het dierenrijk en de politiek dieper gaat. Politici zijn namelijk als mieren, of zo u wilt, als nijvere bijen of vraatzuchtige termieten.

Mieren, bijen en termieten leven net als mensen in staten met vele duizenden bewoners. Deze staten verschillen van andere congregaties van dieren, zoals een sprinkhanenzwerm of een kudde koeien omdat zij een zeer verregaande arbeidsverdeling kennen. Niet alleen zijn dagelijkse taken, zoals voedsel zoeken, het nest verdedigen of het verzorgen van de jongen toebedeeld aan werksters of soldaten, maar zelfs de voortplanting is uitbesteed. Insectenstaten hebben vaak maar één of hooguit enkele koninginnen, die zich als enigen binnen de kolonie voortplanten -en veelal niets anders doen. De overige bewoners van de kolonie zijn onvruchtbare werksters die als enige taak hebben zich op te offeren voor de reproductieve kaste. Vanuit evolutionair oogpunt is dat merkwaardig. Hoe kan immers een genoom dat leidt tot onvruchtbaarheid van het overgrote deel van de draagsters, zich succesvol verspreiden? En waarom zijn deze insectenkolonies resistent tegen ‘free riders’, werksters die zich, al dan niet als gevolg van een mutatie, toch stiekem voortplanten?

Iets dergelijks kan men zich bij politieke partijen afvragen. (Ook hier staat vaak een primadonna aan het roer die, als men de geruchten mag geloven, het hoofd louter bij allerhande reproductieve demarches heeft. De parallel die ik hier wil trekken is echter een andere.) Een politieke partij verwacht van haar Kamerleden dat zij hun particuliere standpunten onbaatzuchtig opofferen, opdat iemand anders premier kan worden. Wat maakt dat volksvertegenwoordigers bereid zijn om eigen standpunten te laten varen en zich te schikken in fractiediscipline? En wat maakt dat zij daarbij toch het idee hebben dat zij hun eigen ideeën verspreiden?

Voor die opofferingsgezindheid in sociale insecten bestaan tenminste twee verklaringen. De eerste is, dat natuurlijke selectie bij koloniaal levende insecten niet plaatsvindt op het niveau van het individu, maar op het niveau van de kolonie. Survival van de fitste kolonie dus. Dat zal veelal de kolonie zijn die erin slaagt om samen te werken als één organisme. Om die reden noemt men dit soort insectenkolonies ook wel een superorganisme. Zij zijn bijna letterlijk als de uit onderdanen samengestelde koning op de titelpagina van Hobbes’ Leviathan. Iets dergelijks geldt ook voor politieke partijen. De partij die als één man (of vrouw) weet op te treden krijgt het meest voor elkaar. Ook vindt hier de belangrijkste vorm van selectie op het groepsniveau plaats, namelijk op het niveau van partijen. Groepsselectie verklaart echter niet waarom er binnen een insectenkolonie geen werksters opstaan die baas in eigen buik willen zijn. Het is als in het prisoner’s dilemma: samenwerken is goed, maar het is nog beter om de enige verrader te zijn.

Daarvoor is een andere verklaring, namelijk ‘kin selection’. Politiek gezegd: nepotisme. Een individu kan zijn genoom niet alleen verspreiden door zelf aan het voortplanten te slaan, maar ook door de voortplanting te bevorderen van anderen die vrijwel hetzelfde genoom hebben. Volgens deze verklaring is dat wat werksters in een insectenkolonie doen: Bevorderen dat hun moeder zich voortplant. Een politicus doet iets vergelijkbaars: bouwen aan de macht van zijn partijleider zodat deze meer politiek verwante Kamerleden kan maken.

In een bijen- of mierenkolonie hebben alle werksters die van een zelfde moeder afstammen bovendien, vanwege een genetische bijzonderheid[i], voor 75% overeenkomend genetisch materiaal. Zij verspreiden hun genoom daardoor het effectiefst als zij hun moeder helpen om meer van die 75% kopieën van zichzelf te maken. Zouden zij zelf aan het voortplanten slaan, dan zouden zij telkens maar 50% van hun genetisch materiaal aan hun nakomelingen doorgeven. Deze verklaring is van een zeldzame elegantie. Daarom is het zo jammer dat een bijenkoningin zich vrijwel nooit aan de noodzakelijke voorwaarde houdt, namelijk monogamie. Een bijenkoningin is zo monogaam als een Franse politicus in een hotelbadkamer. De resulterende genetische diversiteit blijkt, paradoxaal genoeg, bepaalde collectieve processen in de kolonie zelfs effectiever te maken. Bijen van een promiscue koningin blijken bijvoorbeeld het klimaat in hun kolonie beter te kunnen beheersen. Misschien kan een toekomstige klimaattop daar nog iets van leren.

Ook verwantschap verklaart dus niet alles. Entomologen Reeve en Hölldobler hebben daarom een mathematisch model ontworpen om de wisselwerking tussen diverse verklaringen te verkennen[ii]. Hun gedachte is als volgt. Een lapje grond bevat een aantal insectenkolonies. Een werkster binnen een insectenkolonie moet kiezen hoe zij haar krachten besteedt. Zij kan enerzijds haar krachten inzetten om zelf een groter deel van de middelen van de kolonie te krijgen. Anderzijds haalt de kolonie als geheel meer binnen als de werkster zich voor het algemeen belang inzet. Moeite die aan interne concurrentie besteed wordt gaat immers ten koste van de concurrentiekracht van de kolonie. Een insect dat een zo groot mogelijk deel van een zo groot mogelijke koek wil binnenhalen zal dus een behoorlijk deel van haar krachten aan het collectief moeten besteden. Hoe groot die bijdrage precies is, wordt bepaald door het aantal kolonies in een gebied (N), het aantal insecten per kolonie (n), de genetische verwantschap tussen de kolonies onderling (r’), de genetische verwantschap in de kolonie (r ) en welk deel een gemuteerd zelfzuchtig insect investeert (f). Onderstaand de evolutionair stabiele oplossing van dit mathematische bouwwerk:

f*=(N*(n-1)*(1-r))/(N*n-1-r*(n-1)-(N-1)*r’*(1+r*(n-1)))

Als u het hoofd zeer dicht bij het scherm houdt kunt u er ook een visuele impressie van een insectenkolonie in zien.

Zoals wij hierboven zagen zit een Kamerlid in een vergelijkbare situatie. Een Kamerlid zit bij een partij, omdat hij (m/v) politieke verwantschap met de overige leden voelt. Toch zal het partijprogramma lang niet altijd 100% stroken met de eigen opvattingen. Een Kamerlid kan daarom binnen de partij proberen om zijn stempel op het programma te drukken. Hij kan, in het uiterste geval, tegen de partijlijn in voorstellen van andere partijen steunen. Interne strijd gaat echter ten koste van de slagkracht van de partij. Bovendien heeft het opnemen van eigen ideeën in het partijprogramma alleen zin als de partij sterk genoeg is om het partijprogramma te verwezenlijken. Daarvoor moet het Kamerlid zich juist schikken in de fractiediscipline en bereid zijn om als stemvee voor de partij dienen. De bereidheid daartoe zal mede bepaald worden door de politieke verwantschap tussen partijleden, maar ook de mate van verwantschap met overige partijen, het aantal Kamerleden waarmee men op één lijn moet zien te komen, de hoeveelheid partijen etcetera.

Wij kunnen het insectenmodel nagenoeg letterlijk vertalen naar de politieke context. Het stukje grond is het parlement. De genoemde variabelen van het insectenmodel respectievelijk het aantal partijen, het aantal Kamerleden per partij, de politieke verwantschap tussen partijen, de politieke verwantschap tussen Kamerleden van één partij en de afwijking van de partijlijn die een zelfzuchtig Kamerlid zich kan permitteren. Deze bepalen uiteindelijk de neiging van een gemiddeld Kamerlid om tegen de fractiediscipline in te gaan.

Onderstaand een grafiek van de bovengenoemde vergelijking, waarin het aantal partijen en de onderlinge verwantschap tussen partijen is afgezet tegen de gemiddelde zelfzuchtige investering van Kamerleden[iii].

Wat voor voorspellingen levert dit model op? Wat bijvoorbeeld te denken van voorstellen om een hogere kiesdrempel in te voeren[iv], opdat er minder partijen in de Tweede Kamer komen en zo meer politieke stabiliteit? De grafiek laat zien: hoe minder partijen, hoe meer energie er in interne onenigheid wordt geïnvesteerd[v]. Aannemende dat vooral partijen aan de vleugels zullen afvallen laat zich bovendien indenken dat de overblijvende partijen meer zullen overeenkomen. In de grafiek is te zien: hoe meer onderlinge verwantschap tussen partijen, hoe meer er geïnvesteerd wordt in onenigheid over de interne verdeling van de koek. Het invoeren van een kiesdrempel zal dus juist tot een afname van de fractiediscipline leiden en tot meer instabiliteit.

Daarnaast was er het voorstel om het aantal Kamerleden terug te brengen naar honderd[vi]. In de grafiek is het niet te zien, maar het model voorspelt: hoe minder Kamerleden per partij, hoe meer fractiediscipline. Als er een hogere kiesdrempel wordt ingevoerd, is het terugbrengen van het aantal Kamerleden dus een verstandig voorstel.

De les van dit alles: met het brein van een mier kun je een prima backbencher zijn.

M.J. Hoogendoorn
Advocaat te Utrecht

Literatuur:

B. Hölldobler, E.O. Wilson: “The Superorganism: The Beauty, Elegance, and Strangeness of Insect Societies”, W.W. Norton, 2008.ISBN 978-0-393-06704-0

J. Tautz: “The Buzz about Bees. Biology of a Superorganism”, Springer 2008, ISBN 978-3-540-78729-7


[ii] H. Kern Reeve, B. Hölldobler (2007) “The emergence of a superorganism through intergroup competition.” PNAS 104: 9736-9740, http://www.pnas.org/content/104/23/9736.full

[iii] De variabele n voor het aantal Kamerleden heb ik gemakshalve op 150 gedeeld door het aantal partijen N gezet en de interne verwantschap r op 0.75

[v] Of deze relatie werkelijk te zien is in verschillende politieke systemen zou een aardig onderwerp voor empirisch onderzoek zijn.

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 E van Veldhuizen 31/03/2014 om 20:17

Fraaie these en fraaie grafiek over boeiend onderwerp. Bij minder partijen is er meer kans op dissidentie. De these voorspelt dan dat in landen met 2-partijensysteem (VK en VS) de dissidentie binnen de partij groot moet zijn. Maar is dat zo en is dat erg? Ik denk niet zo erg omdat er in deze landen ook een districtenstelsel is. Het parlementslid heeft dan een directer mandaat van de kiezer dan wanneer het meelift op het aantal voorkeurstemmen van de fractieleider in landen waar geen districtenstelsel is. Hoewel, de Engelsen kennen de Chief Whip, de man die de fractiediscipline moet bewaren. Maar blijkbaar lukt dat voldoende. Dus ik denk dat de restrictie voor de these is dat ze geldt in landen zonder districtenstelsel.

2 JAdB 03/04/2014 om 21:07

Leuk stuk…Food for thought, op zijn minst…!

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: