Partijdige besluitvorming bij verlening van kunstsubsidies

door JAdB op 29/10/2009

in Rechtspraak

In augustus 2008 nam het Nederlands Fonds voor de Podiumkunsten besluiten op de subsidieaanvragen van culturele instellingen in het kader van de vierjaarlijkse subsidieronde. Het in het beleid neergelegde adagium luidde: “meer voor minder”. Met andere woorden: een hoop instellingen die voorheen wel subsidie ontvingen, kregen nu nul op het rekest. Dat bracht behoorlijk wat consternatie teweeg. Naar aanleiding van de storm van kritiek, belegde het NFPK later in 2008 een vergadering waarin het beleid werd verdedigd tegenover de instellingen. Ik heb het genoegen gehad om daarbij aanwezig te mogen zijn. De sfeer was – op zijn zachts gezegd – nogal vijandig. Vooral Reinbert de Leeuw, van het Schonberg ensemble, trok hard van leer.

Het was dan ook niet verbazingwekkend dat er nogal wat procedures werden gestart tegen de subsidiebesluiten. En soms met succes, zo blijkt nu. De Rechtbank Amsterdam heeft op 27 oktober 2009 een subsidiebesluit vernietigd. Opvallend genoeg vanwege strijd met art. 2:4 Awb: dat artikel bepaalt dat vooringenomen besluitvorming onrechtmatig is. Ook de schijn van vooringenomenheid moet worden vermeden.

Wat was er aan de hand? De subsidieaanvraag van de Theatercompagnie werd afgewezen, omdat dit theatergezelschap niet zou voldoen aan het in de subsidieregeling neergelegde kwaliteitscriterium. In de over deze aanvraag adviserende commissie zat echter een persoon die als bestuurder betrokken was bij de Stichting Likeminds. Deze stichting had eveneens een subsidieaanvraag ingediend en beoogde dus uit hetzelfde potje te putten. Aan Likeminds werd uiteindelijk wel subsidie toegekend.

Het totaal aan subsidie dat in deze subsidieronde werd aangevraagd, overschreed het subsidieplafond ruimschoots. Daardoor had elke aanvrager, waaronder Likeminds, belang bij het afwijzen van de aanvragen van de ‘concurrenten’.

De rechtbank concludeert dat de omstandigheid dat een lid van de adviescommissie belang heeft bij de afwijzing van door hem (mede) te beoordelen aanvraag voldoende om strijd met art. 2:4 Awb aan te nemen. Immers, niet valt uit te sluiten dat ten aanzien van dit lid van de commisssie de schijn van belangenverstrengeling kon ontstaan. Het opwekken van die schijn levert strijd met voornoemde bepaling op.

Deze uitspraak kan nogal wat gevolgen hebben voor de werkwijze van het NFPK. Het is gebruikelijk dat subsidieaanvragen worden beoordeeld door mensen ‘uit het veld’. Die werkwijze maakt het zeer moeilijk om subsidieaanvragen te laten beoordelen door mensen die totaal geen belang hebben bij een afwijzing van een subsidieaanvraag. Het NFPK merkt dit op de eigen site op, en kondigt dan ook een hoger beroep aan.

Mijns inziens hoeft de soep niet zo heet te worden gegeten als het NFPK het voorstelt. De Rechtbank neemt namelijk (de schijn van) belangenverstrengeling aan voor zover het gaat om een bestuurder van een aanvrager. Dat is iemand die zeer nauw betrokken is bij de aanvraag en bij de toewijzing daarvan (en dientengevolge ook bij de afwijzing van andere aanvragen) een groot belang heeft. Dat lijkt mij een volstrekt juist oordeel. De beoordeling van aanbestedingen geschiedt ook niet door een aannemer die zich daarvoor heeft ingeschreven.

De rechtbank laat derhalve de mogelijkheid open dat personen die wél betrokken zijn bij een aanvrager, maar daar niet zeer nauw mee verbonden zijn (bijvoorbeeld als lid van de Raad van Toezicht), wel gewoon kunnen adviseren over de aanvragen van andere instellingen.

De consequentie van de uitspraak is uiteindelijk in ieder geval wel dat de kring van personen die als adviseur kunnen optreden wat beperkter is geworden. Dat is wat vervelend voor het NFPK, maar gelet op art. 2:4 Awb niet meer dan logisch.

Meer berichtgeving volgt zodra de Afdeling uitspraak doet op het aangekondigde hoger beroep.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: