Peter R. en de gestolen USB-stick

door GB op 17/04/2012

in Rechtspraak

Post image for Peter R. en de gestolen USB-stick

Peter R. de Vries had weer iets moois in handen gekregen: huurmoordenaars die met een verborgen camera hun eigen onderhandelingen hadden gefilmd. Ze hadden bedacht deze beelden aan Peter te kunnen slijten voor een halve ton, maar toen ze bij hem op kantoor waren viel de politie plotseling binnen. De USB-stick met de beelden ‘bleef achter’, en werd door Peters team gratis leeg getrokken. Later werd de USB-stick wel in beslag genomen door de politie. Dat is niet raar, want het is bewijsmateriaal. Dat de politie het stickje niet meteen meenam is wel raar. Maar het zal de deal met Peter zijn geweest dat hij eerst even zijn gang mocht gaan. In ieder geval was er goed materiaal voor een uitzending, en de SBS-machine begon te teasen. Peter zelf schoof her en der aan om de geesten op te warmen. Toen greep de rechter in, en ging het feest niet door. Daar moet zo’n rechter dan wel heel goede redenen voor hebben, denk je dan.

Dat kunnen we nu beoordelen, want het vonnis is beschikbaar gekomen. Hoofdbestanddeel van de argumentatie: Peter heeft die beelden van de USB-stick gejat. En dat mag natuurlijk niet. Niet van het Wetboek van Strafrecht. En ook niet van de journalistieke code, waarin staat dat journalisten geen gegevensdragers mogen ontvreemden. Kort en goed:

Deze normen moeten zo worden begrepen dat het de journalist niet vrij staat zich informatie tegen de wil van degene die daarover beschikt toe te eigenen. Hierin verschilt de rol van een journalist van die van politie en justitie, die immers wettelijke bevoegdheden hebben om in het belang van strafrechtelijk onderzoek inbreuk te maken op eigendomsrechten, bijvoorbeeld door de USB-stick in beslag te nemen.

Peter voerde natuurlijk aan dat dit alles niet voor hem gold, nu hij de misstand wilde aantonen dat er huurmoorden worden gepleegd in Nederland. Dat mocht hij van de rechter aantonen, alleen hoeft hij daar deze camerabeelden niet voor te stelen. De beelden met de geheime camera die SBS vervolgens zelf gemaakt had, mochten ook niet worden uitgezonden. Want daarop werd uitsluitend onthuld dat huurmoordenaars probeerden hun eigen beelden te verkopen. Niet echt het type misstand waar een gebruik van de verborgen camera onontkoombaar is.

Peter wilde zelf niet betalen voor de beelden, omdat hij niet aan ‘chequeboekjournalistiek’ wilde doen. Daarvoor krijgt hij van de rechter een compliment. Maar hij mag zelf ook niet verdienen aan zijn eigen vergrijp, namelijk het stelen van een USB-stick. Een logisch en overtuigend verhaal. Vooraf ingrijpen in een televisie uitzending moet een uitzondering blijven. Maar iemand die zelf de boer op gaat met het verhaal dat hij die uitzending gaat vullen met gestolen materiaal kan weinig anders verwachten.

Probleem is alleen dat Peter – je moet je aan de wet houden – de Vries zelf bepaalt of hij aan een rechterlijk bevel voldoet of niet. De vorige keer, met Koos H., vond hij de opgelegde dwangsom een koopje in het licht van de extra aandacht en zond hij toch gewoon uit. Het kwam hem daarna op een berisping en een dwangsom van een half miljoen te staan. In deze zaak wint hij weer aan krediet bij de rechter, want de rechter dreigt nu met een dwangsom van 100.000 euro, maximaal op te lopen tot 200.000 euro. Dat valt dan weer mee.

{ 8 reacties… read them below or add one }

1 Martin Holterman 17/04/2012 om 14:03

Dat lijkt me niet helemaal kloppen. Ze uitspraak zelf heeft het – geheel terecht – niet over “gejat” maar over “inbreuk op een eigendomsrecht”, dwz een onrechtmatige daad. Van diefstal was hier geen sprake.

Wat betreft de gepaste “remedy” lijkt me een schadevergoeding hier meer passen dan een bevel om niet uit te zenden. Dit is nou net het soort situatie waarvoor art. 6:168 BW geschreven is, en me dunkt dat journalisten – zelfs “bottom feeders” als Peter R. – al vrij snel een beroep op die bepaling zou moeten toekomen. Ik zou dan ook de “bewijslast” bij de eisers neerleggen: welke omstandigheid leidt ertoe dat het beroep op art. 6:168 zou moeten worden afgewezen? Een enkele inbreuk op eigendomsrecht lijkt me daarvoor onvoldoende. Misschien als de beelden de eisers in een onjuist daglicht zouden plaatsen, maar dat is voor zover ik kan zien noch gesteld noch gebleken.

2 MD 17/04/2012 om 14:19

Ik begrijp nooit zo goed hoe dit soort jurisprudentie zich verhoudt tot art. 7 lid 2 Grondwet: “(…) Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.” Waarom meent de rechter dat hij door deze bepaling niet tegengehouden wordt van te voren te beoordelen of een uitzending rechtmatig is of niet?

3 GB 17/04/2012 om 14:37

@ MD

Omdat het ‘voorafgaand’ weggespoeld is. Door Peters eigen mediatour en op de zitting is de uitzending vertoond. Bovendien is dit geen ‘niet verleende toestemming’ vooraf, maar een verbod. Vergelijkbaar met een verbod het nog een keer uit te zenden o.i.d.

@ Martin

Voor het citaat dat ik opnam staat dit: “2.1.3. De journalist steelt geen informatie(dragers) en betaalt evenmin voor gestolen informatie(dragers).” Erna volgt: “SBS c.s. heeft door een kopie te maken van de opnamen die zich op de USB stick van Eiser II bevonden een handeling verricht die gelijk gesteld kan worden aan het stelen van informatie in de zin van de Leidraad.”

4 JU 18/04/2012 om 10:05

@MD & GB

Ik deel wel een beetje de verwondering van MD. Dat je je uiting hebt aangekondigd of even op de zitting hebt kunnen laten zien lijkt mij niet hetzelfde als een uitzending voor het grote publiek. Zo valt censuur ook te verkopen: “het is een repressieve beperking want uw gedrukte uiting is door minstens drie ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Informatie gelezen en alleen herhaalde publicatie wordt verboden”.

Ook een verbod nóg een keer uit te zenden lijkt mij trouwens een preventieve beperking en dus lastig te rijmen met 7 Gw. Je zou zeggen dat art. 7 Gw qua beperkingen vooral ziet op strafbaarheid achteraf en niet op de mogelijkheid van overheidsorganen (inclusief de kortgedingrechter) om (herhaalde) uitingen vooraf te verbieden. Het komt uiteraard vaker voor dat kortgedingrechters dat doen, maar ik zag er zelf nog niet een die expliciet motiveerde waarom hij dat mag. Toetsingskader is vooral 10 EVRM.

Zou de oplossing in dit geval soms een verspreidingsrechtachtige constructie kunnen zijn? Dat aangenomen wordt dat de uiting niet vanwege de inhoud, maar vanwege de wijze waarop ze is vergaard, wordt verboden, en dat alleen een verbod op de inhoud de sterke bescherming van 7 Gw krijgt.

5 GB 18/04/2012 om 10:49

Maar de vraag is: hoe komen die ambtenaren aan een exemplaar? Als ik nu zelf een presentie-exemplaar van mijn gebundelde antisemitische columns en holocaust ontkennende-cartoons alvast naar Ronny Natfaniel opstuur, moet Ronny dan wachten tot ik eerst bij DWDD heb gezeten om daar mijn inmiddels verschenen boek te promoten?

6 Martin Holterman 18/04/2012 om 17:02

Het lijkt me dat ook de grondrechtenbepalingen van de Grondwet, hoe weinig we ook gewend zijn om ze te gebruiken, betekenen wat ze altijd al betekend hebben. Net zo goed als art. 69(2) Gw het heeft over “uitnodigen” waar men in de praktijk “ontbieden” leest wordt in art. 7(2) de mogelijkheid van een bevel tot niet-uitzending ingelezen. Dat was voor 1983 ook al het geval, dus als de Grondwetgever een dergelijke lezing niet had gewild, had hij dat (nog) duidelijker kunnen zeggen. Het artikel verbiedt alleen een algemeen systeen van preventieve censuur.

7 Yoeri Roosendaal 19/04/2012 om 22:45

De Hoge Raad heeft zich in 2003 uitgesproken over de vraag of een uitzendverbod in overeenstemming is met artikel 7, tweede lid, van de Grondwet, meer in het bijzonder het verbod van voorafgaand toezicht op de inhoud van een uitzending (LJN: AF3416). De Hoge Raad zag weinig problemen:

“Blijkens de eerste zin van art. 7 lid 2 kan de wet regels stellen voor radio en televisie, welke regels blijkens de tweede zin evenwel niet zo ver kunnen gaan dat daarbij voorafgaand toezicht van overheidswege op de inhoud van een uitzending zou kunnen worden ingesteld. Er bestaat mede in het licht van art. 3:296 BW echter geen grond aan te nemen dat het in art. 7 Gr.w. neergelegde verbod van censuur – het voorafgaand overheidstoezicht op een voorgenomen uiting – in de weg zou staan aan de bevoegdheid van de rechter met het oog op een effectieve rechtsbescherming een uiting die jegens een ander onrechtmatig is, te verbieden.”

Dit citaat is wat cryptisch, maar interessant is dat de overweging van de Hoge Raad op geheel artikel 7 Grondwet van toepassing lijkt te zijn, dus niet alleen op het tweede lid.

Een uitzendverbod kan dus, maar niet onder alle omstandigheden. Uit (veelal lagere) jurisprudentie over uitzendverboden en ook publicatieverboden m.b.t. geschriften blijkt dat de rechter van tevoren voldoende duidelijk moet weten wat de te verbieden uiting inhoudt en ook voldoende duidelijk moet kunnen vaststellen dat die uiting onrechtmatig zal zijn. De rechter kan de gedaagde niet dwingen de uiting ter controle aan hem te overleggen: dat zou verboden censuur zijn. Maar als de gedaagde al uitgebreid reclame heeft gemaakt voor een uitzending of boek en de rechter op basis van die reclame de onrechtmatigheid kan vaststellen, verzet artikel 7 Grondwet zich niet tegen een verbod, mits dit voldoende scherp en helder geformuleerd is. Een rechter kan dus niet een gedaagde verbieden ‘kwetsende uitlatingen jegens eiser te doen’. Dat is te onbepaald. Voor een verbod een bepaalde uiting te herhalen gelden dezelfde eisen. En in alle gevallen toetst de rechter óók aan de eis van noodzakelijkheid van artikel 10 EVRM.

8 M. Jansen 23/04/2012 om 14:17

Voor wat betreft het risico dat De Vries niet aan het vonnis wil voldoen zoals in de zaak van Koos H.: de advocaat van eiser is (vermoedelijk, gezien de gedaagde partijen) dit keer zo verstandig geweest om ook Peter R. in persoon te dagvaarden. Misschien dat het afschrikwekkend effect van een executie van het vonnis gericht tegen De Vries persoonlijk (bij niet naleving) nog werkt.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: