Plea bargaining. Een vereenvoudigde procedure voor bekennende verdachten in hoger beroep

door IvorenToga op 05/11/2013

in Rechtspraak, strafrecht

Post image for Plea bargaining. Een vereenvoudigde procedure voor bekennende verdachten in hoger beroep

Sinds de jaren negentig is langdurig gebouwd en gesleuteld aan een nieuwe inrichting van het hoger beroep. De discussie verliep langs de vraag of een grievenstelsel wenselijk was of het huidige voortbouwend appel. Zonder die discussie te herhalen kan vastgesteld worden dat het grievenstelsel niet is ingevoerd. Het vigerende voortbouwend appel komt in hoofdzaak hierop neer dat de behandeling in hoger beroep in het bijzonder is gefocust op de behandeling van de geschilpunten tussen verdediging en het openbaar ministerie. Op die inzet wordt regelmatig afgedongen door een bepaald segment van de strafrechters. De laatsten menen dat de rechter per definitief gehouden is om ambtshalve alle onderdelen van de beschuldiging te behandelen en beroepen zich daartoe op bepaalde lijnen in de cassatierechtspraak die zouden dwingen tot het voorhouden van bepaalde processtukken op straffe van het niet kunnen benutten daarvan voor een mogelijke bewijsconstructie of bewijsoverweging. Over de (uitleg van de) jurisprudentiële lijnen zal tot het einde van de rechtsprekende tijden gediscussieerd worden, dat is ook de bedoeling van een normatief discours waarin veel keuzen pleitbaar maar niet altijd overtuigend zijn. Die meningsverschillen over de betekenis van het voortbouwend appel verklaren waarom een deel van de strafrechters substantieel meer tijd nodig heeft voor de behandeling van de zaak of meent dat nogmaals getuigen moeten worden gehoord.

Een probleem is sinds enkele decennia de procespositie van de bekennende verdachte en de vraag hoe voor deze verdachten de behandeling ter zitting moet worden ingericht. Sinds de commissie Moons is veel denkkracht geïnvesteerd in de vraag waarom de zitting wordt belast met een grondige behandeling en beantwoording van het rechterlijk beslissingsschema als slechts de strafmaat in het geding is. Dat deze pogingen om uiteenlopende redenen gesneefd zijn laat de strafrechtspleging om verschillende redenen stagneren.

In de eerste plaats wordt afbreuk gedaan aan de gedachte van de wetgever om het hoger beroep als contradictoire gedingprocedure louter toe te spitsen op de geschilpunten.
In de tweede plaats wordt de gedachte geweld aangedaan dat het hoger beroep moet gaan over de strafzaken die er toe doen. De strafmaatappellen zijn meestal niet van een zodanig gewicht dat er bij wijze van spreken een strafzitting voor nodig is.
In de derde plaats heeft iedereen belang bij snelle duidelijkheid: de strafzitting vormt een bezwaring van verdachte, aangevers, slachtoffers en benadeelde partijen en bovendien is uitstel van executie niet bevorderlijk voor het normdemonstrerend effect. Afgezien van de A-12 methodiek bij het Arnhemse gerechtshof liggen de meeste strafzaken bij de gerechtshoven langer te wachten dan nodig en gewenst is.

Anno 2013 lijkt het er soms op dat de zittende magistratuur de versnelling van eenvoudige (strafmaat)appellen niet goed georganiseerd krijgt. Omdat sinds vele decennia de buitengerechtelijke afdoeningsmodaliteiten een hoge vlucht nemen, laatstelijk zichtbaar in de strafbeschikking en ZSM bij het Openbaar Ministerie, zou de rechtspraak er meer aan gelegen moeten zijn om die tendens te keren en het huidige zaakspakket binnenboord te houden. Omdat het maatschappelijke en strafvorderlijke belang van een vlotte en toereikende procedure voor bekennende verdachten in hoger beroep van het hoogste belang is, lijkt het aangewezen om te kijken naar principes van plea bargaining die elders, van de Verenigde Staten tot Duitsland, een ingeburgerd fenomeen vormen. Vereenvoudigd komt plea bargaining erop neer dat verdediging en openbaar ministerie overeenstemming bereiken over de onderlinge procespositie en de consensueel tot stand gekomen uitkomst voorleggen aan de rechter. In lijn met dat idee bepleit ik het volgende aanloopmodel voor het hoger beroep.

Bij het instellen van een strafmaatappel neemt het ressortspakket contact op met de raadsman van verdachte en informeert naar de belangstelling voor overleg over de strafmaat in de voorliggende zaak. In het geval verdediging en openbaar ministerie overeenstemming bereiken over de voor beiden aanvaardbare straf of maatregel, waaronder een billijke uitkomst voor de benadeelde partij die desnoods in voornoemd overleg gekend wordt.
De schriftelijke uitkomst wordt, ondertekend door openbaar ministerie en (schriftelijk gemachtigde) verdediging, toegezonden aan de appelrechter, onder vermelding dat voor de zitting een verstekbehandeling volstaat. De strafrechter in hoger beroep neemt kennis van de gezamenlijke memorie en staat voor de keuze om de zaak op een reguliere zitting aan te brengen omdat hij op voorhand niet overtuigd is dat de voorgestelde strafmaat maatschappelijk en strafrechtelijk passend is, of om de zaak op voorgestelde wijze af te doen via een bevestiging van het vonnis met uitzondering van de straf. Het is echter ook denkbaar dat de verdachte zich schriftelijk verplicht ter zitting te verschijnen, waarbij meteen uitspraak wordt gedaan. Daardoor zou de demonstratiefunctie van het strafrecht misschien nog iets beter uit de verf komen.
Nog een viertal opmerkingen.

1. Deze vereenvoudigde procedure voor bekennende verdachten in hoger beroep vormt een eerbetoon aan de consensus tussen vervolgende overheid en vervolgde burger die bovendien is afgestemd op de gelaedeerde burger.

2. Een zinnige bijkomstigheid van vonnisafspraken is dat deze zittingen kunnen worden geappointeerd met pakweg 80 zaken, waardoor de strafrechtspraak veel tijd vrijspeelt voor de zaken die meer dure zittingstijd vergen. Vrijspelen van capaciteit of het boeken van capaciteitwinst wordt dit beleidsmatig geduid. Ik zou mijn voorstel eerder omschrijven als het strafvorderlijk optimaliseren van het consensualiteitsprincipe, voor het eerst geïntroduceerd door de president van de Hoge Raad in zijn eerste drukken van zijn handboek Het Nederlands strafprocesrecht. Laten we ruim baan geven aan die strafzaken die er toe doen en daarom leentjebuur spelen bij andere rechtsstelsels op een wijze die meer dan passend is in ons Nederlandse rechtsbestel. In het recente liber amicorum “Het roer recht” voor de hoogleraren Vellinga (Zutphen: uitgeverij Paris 2013) is een artikel van Laura Peters opgenomen over de laatste ontwikkelingen rond het Verständigungsverfahren in Duitsland. Zij waarschuwt dat wetgever en rechter niet een al te grote kloof tussen wet en praktijk moeten laten ontstaan, wat in Duitsland natuurlijk extra bezwaarlijk is vanwege het strikte vasthouden aan het onmiddellijkheidsbeginsel in materiële zin, wat dan door afspraken over het dictum in vonnis of arrest geheel en al uit beeld raakt. Maar de situatie ligt daar anders omdat de rechter ook zelf actief is bij het tot stand komen en vastleggen van de afspraken.

3. De zittende magistratuur kan een positief kader ontwikkelen dat voor het openbaar ministerie en de verdediging heeft te gelden als richtsnoer voor een rechterlijk akkoord. Het experiment zou kunnen aanvangen met delicten die geen hogere strafbedreiging kennen dan 6 jaar of met de politierechterbeslissingen die het overgrote deel van de rechtbankzaken uitmaken. Daarmee zou het aanvankelijk kunnen gaan om de eenvoudiger en veel voorkomende delicten en worden de zwaardere delicten niet onttrokken aan de publieke verantwoording die de verdachten van deze misdrijven dienen af te leggen. Bovendien is in de zware strafzaken regelmatig sprake van een maatregel als TBS of voordeelsontneming en zeker het eerste leent zich eerder voor rechterlijke behandeling en beoordeling in een rechtszaal dan voor het onttrekken van het publieke zicht. Het is echter ook mogelijk om het criterium te verleggen naar het karakter van de zaak. Levensdelicten lenen zich niet voor dit type afdoening, maar mogelijk opiumdelicten vanwege het ontbreken van concrete slachtoffers wel, ook in het geval de rechtbank tien jaren heeft opgelegd. In deze herschikking van de criteria speelt het publieke karakter van de afdoening een geringere rol, zeker bij “anonieme” delicten zonder directe slachtoffers. Wanneer mijn voorstel er toe leidt dat via plea bargaining daders korting krijgen maar er aanzienlijk meer daders berecht kunnen worden met dezelfde middelen wordt het belang van de publieke berechting bij “anonieme” delicten minder doorslaggevend. Als het om preventie gaat lijkt mij de evidentie dát er straf volgt belangrijker dan de exacte hoogte van de straf.

4. Verder wijs ik erop dat het plea bargaining karakter van de onderhandelingen tussen openbaar ministerie, verdediging en eventueel benadeelde partij of slachtoffers kan worden gestructureerd met behulp van de oriëntatiepunten straftoemeting die zijdens de zittende magistratuur zijn ontwikkeld, maar nog liever met op grond van de BOS/Polaris richtlijnen van het Openbaar Ministerie. Daarover een andere keer meer.

5. Tot slot. Het element van plea bargaining komt pas uit de verf als de verdachte voor zichzelf ook een duidelijk voordeel ziet en dat zal maar sporadisch de snellere afdoening zijn. Bovendien zal de verdachte in het bepleite model zich toch blijven afvragen hoe de rechter er over zou oordelen, hij zit immers nu nog “maar” met het openbaar ministerie om de tafel. Op de vraag van de verdachte “waarom niet toch de rechter geprobeerd ?” zal een duidelijk en overtuigend antwoord moeten komen. En dat antwoord dient evidente voordelen te bevatten voor wat betreft strafkorting, geen of partiële ontneming, soort detentieregime etc.

Mijn voorstel ziet op het hoger beroep maar de lijn kan ook doorgetrokken worden naar de eerste aanleg; die insteek kent het voordeel dat er per definitie geen appèl meer is en slechts een beperkte behandeling in eerste aanleg. Principieel zie ik geen verschil, mits er deugdelijke rechtsbijstand wordt verleend. Maar opnieuw: dat is een verhaal voor de verder afgelegen toekomst. Mijn voorstel speelt zich uitsluitend in de appelfase af en vindt een goede aansluiting bij het bekende grievenstelsel. Voor nu zou ik een inventarisatie van belang vinden die de risico’s van plea bargaining in het bestaande bestel in beeld brengt en dat vervolgens wordt bezien of de te ontwikkelen waarborgen afdoende zijn. Deze column kan niet meer zijn dan een aanjager voor het debat.

Sinds jaar en dag ben ik vrijwel de enige strafrechtjurist die een vruchtbare interferentie bepleit tussen organisatorische en juridische aspecten van de behandeling van strafzaken.
We weten dat al enige tijd gestudeerd wordt op het tweefasenproces, waarbij de straftoemeting in een andere fase van het strafgeding wordt besproken, zoals reeds bepleit werd door Jan Leijten in het Nederlands Juristenblad van 1979. Ik zou kunnen grappen dat de rechtspraak dan tweemaal geld krijgt voor dezelfde zaak of kunnen somberen over de indeling van rechters langs een nieuwe lijn van specialisatie met alle ongelukkige bijgedachten over het zittingsrooster. Maar laat ik volstaan met de opmerking dat het ontkoppelen van de behandeling van de materiële vragen naar schuld en boete juridisch, maar ook organisatorisch, niet zonder bedenkingen is. Om die reden pleit ik om binnen het bestaande procesmodel te blijven en aldaar een gedingmodel te ontwikkelen dat recht doet aan de onderlinge afstemming tussen de vervolgende overheid en de vervolgde burger. Het zou intellectuele Spielerei zijn om dit een vorm van mediation te noemen, maar de etiketten zijn minder belangrijk. Het belangrijkste is rechters en het openbaar ministerie elkaar van dienst kunnen zijn op een wijze die zowel tegemoet komt aan strafvorderlijke belangen van tijdigheid e.d. als aan organisatorische belangen om ruimte te maken voor de zwaardere strafzaken die er volgens de meeste betrokkenen toe doen. Organisatorisch is er altijd meer mogelijk om de doelen van het strafproces te bereiken dan de wetgever of de jurisprudentie op het eerste gezicht aan mogelijkheden biedt.

Ik sluit af met een pleidooi voor nader onderzoek naar of experimenteren met het sneller, vereenvoudigd en desalniettemin magistratelijk afdoen van strafzaken. In deze bijdrage heb ik de mogelijkheden geschetst binnen het bestaande strafproces.
Het is ook mogelijk om binnen de ZSM-afdoening van het Openbaar Ministerie plea-bargainingmodaliteiten te ontwikkelen. Zolang de zittende magistratuur strafzaken niet efficiënter krijgt afgedaan, is er theoretische en praktische ruimte om voor de OM-rechtspraak de optimale mogelijkheden te exploreren voor een professioneel afsprakenkader tussen verdediging en openbaar ministerie. Er zijn voldoende valide gronden voor het afdoen van meer strafzaken door het OM, desnoods in aanwezigheid van de strafrechter. De laatste mag dan geen rol spelen bij de inhoud van de te nemen beslissing, maar de strafrechter kan wel een kwaliteitskeurmerk afgeven bij het waarborgen van een fair proces van hoor en wederhoor, rechtsbijstand en eventuele bijstand van de reclassering. In het verschiet zie ik voor de OM-rechtspraak een politiebureau of een parket voor me waar alle mogelijke actoren gedurende 24 uur per dag aanwezig zijn om met een faire procedure de (verdere) gang naar de strafrechter en de publiekelijke berechting te voorkomen. Ook de strafrechter zou in deze optiek een gast van het openbaar ministerie kunnen zijn. In al deze – nu nog virtuele – situaties blijft de uitkomst een strafbeslissing van het OM, maar voorzien van een zekere rechterlijke waarborg.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Deze post is onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: