Political question op Aruba

door MN op 04/11/2009

in Grondrechten, Rechtspraak

Enkele weken geleden startte ik op deze plek een discussie over de vraag of door een minister gegeven schriftelijke antwoorden op Kamervragen gedekt worden door de parlementaire immuniteit van art. 71 Grondwet. De poging tot vervolging van Van der Laan is inmiddels gesneefd.

Elders binnen het koninkrijk worstelen ministers, volksvertegenwoordigers en rechters ook met de mogelijkheid andere middelen dan het politieke debat in te zetten tegen onwelgevallige uitlatingen in de nationale vergaderzaal. Op 2 juli 2009 wees het Gerecht in Eerste Aanleg op Aruba in kort geding vonnis in een civiel geschil tussen een parlementariër en de minister voor Volksgezondheid, Milieu, Administratieve en Vreemdelingenzaken. De minister had de parlementariër tijdens een rechtstreeks op televisie uitgezonden debat in het Arubaanse parlement op 1 juni 2009 uitgemaakt voor pedofiel. Soortgelijke beschuldigingen had de bewindsman al geuit in een interview met een krant in mei 2009 en in een persbericht dat werd uitgegeven in december 2007. De parlementariër, die op zijn beurt had gesuggereerd dat de minister een frequente bezoeker van bordelen was, vorderde in kort geding dat de minister zou worden veroordeeld tot het plaatsen van een rectificatie in drie belangrijke Arubaanse kranten. De minister verweerde zich met de stelling dat hij niet in rechte kon worden vervolgd of aangesproken voor zijn uitlatingen tijdens het parlementaire debat. Hij baseerde zich hiertoe op de Arubaanse Staatsregeling, die op dit punt gelijk oploopt met de Nederlandse Grondwet. De parlementariër meende dat van onvervolgbaarheid geen sprake kon zijn, nu deze regeling onverenigbaar is met het EVRM. Ingevolge art. 6 EVRM heeft een beledigde partij immers recht op toegang tot de rechter. Voorzover de nationale constitutie dat verhindert, moet de Staatsregeling buiten toepassing blijven.

In zijn overwegingen volgt de rechter het beroep dat de parlementariër deed op het EVRM. Het Straatsburgse Hof wordt erbij gehaald om vast te stellen of de beperking op het recht op een eerlijk proces toelaatbaar is. In de uitspraak in de zaak Cordova t. Italië (EHRM 30 januari 2003, app. nr. 45649/99) erkent het EHRM het bijzondere belang van vrije meningsuiting voor parlementariërs. Volgens de Straatsburgse rechters is de parlementaire onschendbaarheid, een verschijnsel dat gemeengoed is in staten die partij zijn bij het verdrag, in principe niet een onevenredige beperking op het recht op toegang tot de rechter. Anders wordt het als diffamerende uitlatingen geen verband houden met de uitoefening van het parlementaire ambt, maar veeleer gedaan zijn in het kader van een persoonlijke ruzie (“personal quarrel”). In die omstandigheden kan de beledigde partij geen toegang tot de rechter worden ontzegd om de enkele reden dat de ruzie van politieke aard is of verband houdt met politieke activiteiten.

Voor de Arubaanse kortgedingrechter is de zaak nu helder: er moet een “materiële toets [worden aangelegd] bij de beoordeling van de vraag of met recht een beroep op immuniteit kan worden gedaan”. Aangezien de gewraakte uitlatingen door de minister weliswaar zijn gedaan tijdens de parlementsvergadering maar geen feitelijk verband hielden met het onderwerp van de beraadslaging, kunnen de insinuaties van de minister “niet anders worden gezien als (dan?, MN) inhoudelijk losstaand van het parlementaire debat en als uiting van persoonlijk ongenoegen jegens eiser (personal quarrel)”.
In zijn vonnis staat de rechter ook nog stil bij de rol van de parlementsvoorzitter. Die voorzitter heeft namelijk nagelaten de beledigde partij in bescherming te nemen. Bovendien kan de voorzitter wegens het ontbreken van een formele bevoegdheid te bevelen tot rectificatie niet worden aangemerkt als een onafhankelijk en onpartijdig gerecht in de zin van art. 6 EVRM.

Om al deze redenen meent de rechter dat in het onderhave geval “een beroep op de parlementaire immuniteit in strijd is met artikel 6, eerste lid van het EVRM. Wegens strijd met dit verdrag kan derhalve geen toepassing worden gegeven aan deze immuniteit. Het gevolg hiervan is dat de gewraakte uitlatingen van de minister in de Statenvergadering van 1 juni 2009 onderstaand inhoudelijk zullen worden getoetst”.

Het resultaat van die inhoudelijke toetsing laat zich raden: de minister heeft door zijn uitlatingen in de parlementaire vergadering onrechtmatig gehandeld jegens de eiser. De vordering tot rectificatie wordt toegewezen.

Dit vonnis wekt om tal van redenen bevreemding. De rechterlijke vondst, bijvoorbeeld, dat de parlementsvoorzitter geen onafhankelijk en onpartijdig gerecht in de zin van art. 6 EVRM is, is toch niet veel meer dan het met geweld intrappen van een open deur. Kwalijker vind ik de achteloosheid waarmee de EHRM-uitspraak tegen Italië wordt gebruikt om het beroep op immuniteit te pareren. Wie de moeite neemt om de Straatsburgse zaak te lezen, komt al gauw tot de conclusie dat het feitencomplex uit die zaak belangrijk afwijkt van de omstandigheden die aanleiding gaven tot het Arubaanse kort geding. Zo werden de beledigingen in de Italiaanse zaak niet geuit tijdens een parlementaire vergadering, maar op een verkiezingsbijeenkomst in het Zuid-Italiaanse Palmi. De verschillen tussen de beide zaken zijn niet alleen van feitelijke, maar ook van juridisch-inhoudelijke aard. De regeling van de parlementaire immuniteit van Italiaanse politici wijkt namelijk belangrijk af van de Arubaanse en Nederlandse pendanten. Italiaanse parlementsleden zijn ingevolge art. 68 van de Italiaanse Grondwet ook buiten de vergaderzaal onvervolgbaar voor hetgeen ze zeggen ter uitoefening van hun functie, behoudens de mogelijkheid van het opheffen van de immuniteit door de betreffende Kamer van het parlement. Het Straatsburgse Hof hecht veel belang aan de omstandigheid dat de (on)mogelijkheid om als beledigde partij een rechter te adiëren, afhankelijk was van de beslissing daaromtrent door een politiek orgaan.

Wanneer dit soort relevante verschillen buiten beschouwing worden gelaten, ontkomt de rechter er niet aan te beoordelen of de tijdens de vergadering gedane uitlatingen iets te maken hebben met het onderwerp van beraadslaging. Dat lijkt me een uiterst glibberig pad. De Arubaanse rechter heeft in zijn vonnis onvoldoende gehoor gegeven aan de Straatsburgse oproep tot grote terughoudendheid in het plegen van interventies op het parlementaire proces. Naar verluidt heeft de minister hoger beroep ingesteld. Het valt nog te bezien of een meervoudige kamer van het Gemeenschappelijk Hof de Arubaanse unus iudex volgt in diens dwalingen.

{ 3 reacties… read them below or add one }

1 JAdB 04/11/2009 om 11:34

Eigenaardig! Uit de uitspraak van het EHRM blijkt inderdaad duidelijk dat het Hof van bepalende betekenis achtte dat dat de uitspraken werden gedaan buiten de parlementaire vergadering. In de door jou besproken uitspraak was daar nu juist geen sprake van.

2 Ans Hengels 04/11/2009 om 21:51

Prachtige analyse en een zeer sappige (zij het ook enigszins treurige) casus. Met je conclusie kan denk ik niemand het oneens zijn. Laten we hopen dat het Gemeenschappelijk Hof bekend is met deze weblog en er zo nu en dan een kijkje neemt. En als dat teveel gevraagd is, dat het dan in elk geval de arresten van het EHRM leest voordat het een oordeel velt.

3 Renee van Aller 20/07/2010 om 18:31

Inmiddels is deze zaak en hoger beroep herzien (15 juni 2010). Het Gemeenschappelijke Hof van Justitie concludeerde dat de minister ten tijde van de beschuldigende uitspraken op 1 juni vorig jaar, zich in het parlement bevond en dus onschendbaar was.

Het Hof oordeelde dus anders dan de rechter in eerste aanleg en vond dat de toenmalige minster wel onschendbaar was tijdens deze uitspraken in de Staten. Wel deelt het Hof de mening van het Gerecht in Eerste Aanleg over de pedofiliebeschuldigingen die de minister al in 2007 deed richting parlementariër. Deze mogen niet worden meegenomen in de rectificatiezaak, omdat er al veel tijd overheen is gegaan De grenzen van de vrijheid van meningsuiting moeten bovendien ook worden opgeschoven in situaties waarbij een persoon zich moet kunnen verdedigen tegen een strafrechtelijke aanklacht, aldus het Hof.

Hiermee wordt verwezen naar de strafzaak die nog steeds loopt tegen de minister over zijn beschuldigingen ten aanzien van de parlementariër drie jaar geleden. Justitie is tot op heden nog niet tot vervolging van de oud-minister over gegaan ondanks een uitspraak van vorig jaar augustus door het Hof. Daarin stelde het Hof dat het Openbaar Ministerie (OM) de minister moet vervolgen wegens smaad. Het OM had eerder aangeven de zaak te willen seponeren, nadat het strafrechtelijk onderzoek lange tijd op zich liet wachten. De parlementariër overwoog in cassatie te gaan. (LJN: BM8654, Gemeensch. Hof van Justitie v.d. Ned. Antillen en Aruba , KG 1730/09 – H 238/09).

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: