Politiek toezicht op bankiersbeloningen

door Ingezonden op 21/03/2018

in Haagse vierkante kilometer

Post image for Politiek toezicht op bankiersbeloningen

De spoedwet van Jesse Klaver is af. Op 15 maart is de initiatiefwet bankiersbeloningen ingeleverd bij de Raad van State. De wet zal, indien aangenomen, twee grote wijzigingen doorvoeren. Allereerst worden “aandelen in de onderneming of andere financiële instrumenten waarvan de waardestijging mede afhankelijk is van de waardestijging van aandelen in de onderneming” geschaard onder de variabele beloningen en worden dus weggehaald uit de vaste beloning. De tweede wijziging is een nieuw artikel 1:130 Wft. Dit artikel moet gaan regelen dat: “een voorgenomen vaststelling van de vaste beloning van een nieuwe bestuurder alsmede een voorgenomen verhoging van de vaste beloning van een zittende bestuurder voorafgaande instemming behoeft van de Minister van Financiën, voor zover het betreft een bestuurder van een systeemrelevante bank”.

Op deze blog verscheen vorige week al een blogpost over het vereiste van de algemeenheid van de wet – een vereiste waar Klavers spoedwet mogelijk niet aan tegemoet komt. In deze blogbijdrage wil ik een ander probleem met de initiatiefwet bespreken: de voorafgaande instemming van de Minister van Financiën.

De Wet financieel toezicht is, zoals de naam doet vermoeden, hoofdzakelijk een wet die de bevoegdheden van de toezichthouders regelt. Deze toezichthouders zijn de AFM en DNB (zie art. 1:1 Wft). Deze toezichthouders houden ook toezicht op het beloningsbeleid van (onder meer) banken (zie hoofdstuk 1.7 van de Wft). Met de initiatiefwet wordt dit stelsel ingrijpend gewijzigd. Er wordt namelijk een instemmingsbevoegdheid aan de Minister van Financiën gegeven. Zo luidt het voorgestelde artikel 1:130 lid 1 Wft als volgt: “Een voorgenomen vaststelling van de vaste beloning van een nieuwe bestuurder of verhoging van de vaste beloning van een bestuurder van een bank die een kapitaalbuffer moet aanhouden in de zin van artikel 3:62a, tweede lid, onderdeel b, door het orgaan dat of degene die binnen de bank de beloning vaststelt, wordt ter voorafgaande instemming voorgelegd aan Onze Minister”. Dit is mijns inziens onwenselijk om twee redenen. De eerste reden is de rol van de Minister in de huidige wetssystematiek, de ander is een reden van politieke aard.

In de huidige wet is de Minister van Financiën hooguit systeemverantwoordelijke. De systeemverantwoordelijkheid van de Minister wordt in de hoofdlijnen van het wetsvoorstel als volgt aangehaald: “Vanuit zijn systeemverantwoordelijkheid en vanuit zijn rol als uitvoerder van de wet en hoeder van de overheidsfinanciën heeft de Minister van Financiën de verantwoordelijkheid om toe te zien op de stabiliteit van het financiële stelsel en de risico’s voor de overheidsfinanciën te beperken.” Hoewel de initiatiefnemers van de wet gelijk hebben  dat de Minister ook verantwoordelijk is voor het gehele systeem, lijkt er voorbij te worden gegaan aan de huidige relatie tussen minister en toezichthouder. De systeemverantwoordelijkheid wordt op dit moment ingevuld met een grote mate van terughoudendheid. Wie namelijk bekend is met de visie toezicht op afstand, het document aangaande de verhouding tussen de toezichthouders en de Minister van Financiën, weet dat er in veel opzichten geprobeerd is de toezichthouder zo onafhankelijk mogelijk te houden.

De minister dient alleen toezicht te houden op het toezichtssysteem als geheel. De bedoeling is dat de minister kan ingrijpen indien de toezichthouders niet naar wens opereren. De ministeriële verantwoordelijkheid is dus beperkt tot het functioneren van het systeem en strekt niet tot individuele gevallen.

Een nieuwe toezichtsbevoegdheid van de minister zou deze systematiek sterk verstoren. Op dit moment is het duidelijk wie het toezicht houdt op de financiële markten en wie toezicht houdt op dat toezicht. Wanneer de minister zelf een instemmingsbevoegdheid uit zou gaan voeren, doorkruist dat de bevoegdheden die vanuit de Wft aan de toezichthouders zijn gegeven, waaronder bijvoorbeeld de bevoegdheid om toezicht te houden op het beloningsbeleid (art. 1:46 Wft). Het levert ook bijzondere vragen op. Wat gebeurt er bijvoorbeeld als de minister geen instemming verleent en de bank dit naast zich neerlegt? Uiteindelijk zijn het alleen de toezichthouders (AFM en DNB) die hiertoe bevoegdheden hebben. En wat gebeurt er als de AFM het beloningsbeleid goedkeurt en de minister toch instemming onthoudt?

De onafhankelijkheid van de AFM en DNB is overigens niet voor niets. Het depolitiseert het toezicht. De vraag is immers hoe wenselijk het is dat een politieke ambtsdrager belast wordt met een instemmingsbevoegdheid. De afstand tussen minister en AFM en DNB is ingegeven door het streven naar depolitiseren van dat toezicht. Dit is ook geheel in overeenstemming met de internationale norm, die door het IMF als volgt werd uitgedrukt: “Supervisory agencies should be able to resist inappropriate political interference or inappropriate influence from the financial sector itself”. Toezicht dat direct wordt uitgevoerd door de minister staat hier haaks op. Het voorgestelde artikel 1:130 lid 4 Wft geeft de minister bovendien een aanzienlijke beslissingsvrijheid bij het wel of niet instemmen met de verhoging. Het is voorstelbaar dat een SP-Minister een ander idee heeft van wat een passende beloning is dan een Minister van de VVD. Bovendien weten ex-politici zich vaak te bewegen richting de top van het bankwezen. Zo was Gerrit Zalm tot 2017 nog bestuursvoorzitter van de ABN-AMRO en zitten Kok en Balkenende bij de ING als commissaris. Mochten de bankier en de minister dan van dezelfde partij komen dan kan men zich afvragen of de minister de uitgelezen persoon is over de beloning te beslissen.

Al met al lijkt het me zeer onwenselijk dat de minister met deze instemmingsbevoegdheid wordt opgezadeld. Indien men zo’n bevoegdheid al noodzakelijk acht dan zou deze bij de AFM of DNB moeten worden neergelegd. De bevoegdheid past dan bij het toezicht op het beloningsbeleid. Bovendien zijn deze toezichthouders gespecialiseerd in het toezicht op financiële markten en hebben zij de bevoegdheden om naleving af te dwingen buiten de politieke waan van de dag.

Yannick van den Berg – student aan de researchmaster Rechtswetenschappelijk Onderzoek (Rijksuniversiteit Groningen) 

Beeld: CC-licentie FaceMePLS

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: