Prinses Ilonka

door AL op 25/02/2011

in Buitenland, Rechtspraak

Frau Ilonka Fürstin von Sayn-Wittgenstein (geboren 1944) is Oostenrijks staatsburger en makelaar in kastelen en landhuizen in Duitsland. De Fürstin is in 1991 geadopteerd door een Duitser, Lothar Fürst von Sayn-Wittgenstein. De Fürstin behield haar Oostenrijkse nationaliteit en zij werd geen Duits staatsburger.

Na de voor de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie dramatisch verlopen Eerste Wereldoorlog heeft de (toen nieuwe) Republiek Oostenrijk de adelstand onder de juridische guillotine gelegd. Met de “Adelsaufhebungsgesetz” van 3 april 1919 werd de adel afgeschaft. Sterker nog, Oostenrijkse staatsburgers hebben zelfs niet het recht een adellijke titel van buitenlandse herkomst te voeren.

Na haar adoptie verzocht de Fürstin de Landeshauptman van de Oostenrijkse deelstaat Wenen haar naam op te nemen in het register van de burgerlijke stand als “Ilonka Fürstin von Sayn-Wittgenstein.” En zo geschiedde. Latere identiteitsdocumenten werden door Oostenrijk uitgegeven op en met haar adoptienaam. In 2007 vond de Landeshauptmann, in navolging van een arrest van het Oostenrijkse Constitutionele Hof, het welletjes: Hij besloot de inschrijving van de Fürstin in het register van de burgerlijke stand ingevolge de Adelsaufhebungsgesetz te vervangen met “Sayn-Wittgenstein.”

Als door een adder gebeten klom de Fürstin in de hoogste juridische boom: als Oostenrijks staatsburger wonend en een onderneming drijvend in Duitsland stelde zij dat Oostenrijk haar recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven belemmert (zoals neergelegd in artikel 21 van het EU-Werkingsverdrag). De hoogste Oostenrijkse bestuursrechter vroeg het Hof van Justitie van de Europese Unie met een prejudiciële vraag om raad.

Op 22 december 2010 deed het Hof van Justitie uitspraak. Het Hof stelde vast dat “[v]erwarring en ongemakken kunnen ontstaan als gevolg van een verschil tussen twee namen waarmee dezelfde persoon wordt aangeduid.” Erger nog, de Fürstin loopt iedere keer dat zij haar identiteit of familienaam moet bewijzen in Duitsland het risico een “verdenking van een valse verklaring te moeten weerleggen,” omdat er een verschil bestaat tussen haar gerectificeerde naam in Oostenrijk en de naam die zij gebruikt in haar beroeps- en privéleven in Duitsland. En dat risico kan, aldus het Hof, een belemmering vormen voor de uitoefening door de Fürstin van haar recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en verblijven.

Dat mag zo zijn, betoogde Oostenrijk, maar de Adelsaufhebungsgesetz strekt ertoe de “constitutionele identiteit” van de Republiek Oostenrijk te waarborgen. En een daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer is volgens Oostenrijk gerechtvaardigd “in het licht van de geschiedenis en de fundamentele waarden van de Republiek Oostenrijk.” Bovendien, zo stelde Oostenrijk, is de Adelsaufhebungsgesetz een uitvoering van het meer algemene gelijkheidsbeginsel.

Het Hof bleek gevoelig voor die argumentatie: “[d]ienaangaande moet worden erkend dat in de context van de Oostenrijkse constitutionele geschiedenis het Adelsaufhebungsgesetz, als element van de nationale identiteit, in overweging kan worden genomen bij het maken van de afweging tussen de legitieme belangen en het door het Unierecht erkende recht om vrij te reizen.” Vervolgens oordeelde het Hof het ook niet onevenredig dat “een lidstaat de eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel beoogt te verzekeren door de verkrijging, het bezit of het gebruik door zijn onderdanen van adellijke titels of adellijke elementen, op grond waarvan anderen zouden kunnen geloven dat de naamdrager in kwestie een dergelijke rang bekleedt, te verbieden. Door te weigeren de adellijke elementen van een naam zoals die van verzoekster in hoofdgeding te erkennen, lijken de voor de burgerlijke staat bevoegde Oostenrijkse autoriteiten niet verder te zijn gegaan dan nodig is ter bereiking van de fundamentele grondwettelijke doelstelling die zij nastreven.” Kortom, de Landeshauptmann stond in zijn (Europese) recht en mocht de naam van de Fürstin rectificeren.

“Constitutionele identiteit” is een steeds belangrijker concept in het Europese recht aan het worden. Het Duitse Bundesverfassungsgericht deed al flink wat stof opwaaien door in het beruchte Lissabon Urteil de Duitse constitutionele democratische kernwaarden in te roepen als dam tegen verdere Europese integratie “by stealth.” Nu accordeert het Hof van Justitie het gebruik van de Oostenrijkse constitutionele identiteit als rechtvaardigingsgrond van een beperking van een van de fundamentele vrijheden zoals beschermd door het recht van de Europese Unie. Prinses Ilonka zal er het hare van denken.

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 MD 28/02/2011 om 11:08

Interessant stuk! Zou er dan werkelijk sprake zijn van de wederzijdse beïnvloeding die pluralisten in de jurisprudentie van de verschillende hoven zien?

2 LB 22/11/2014 om 20:59

Wat me nu interessant lijkt, is de vraag welke rechtsgevolgen een dergelijke adoptie naar Nederlands recht zouden hebben indien een duitse edelman of vrouw een volwassen Nederlander adopteert.

Qua geslachtsnaamrecht lijkt me dit problematisch, maar ook de figuur van de volwassenadoptie bestaat hier niet. Daarnaast bestaat er in ons land ook nog het verbod op het onbevoegd voeren van een adellijke titel, maar wat nu als deze deel uit maakt van een geslachtsnaam, zoals in Duitsland het geval is…

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: