PrIVOcy: een liberaal-democractische blinde vlek

door Ingezonden op 23/01/2015

in Grondrechten

Post image for PrIVOcy: een liberaal-democractische blinde vlek

Afgelopen jaar won onze minister van Veiligheid en Justitie Ivo Opstelten zijn vierde ‘Big Brother award’. Ditmaal had hij zijn nominatie onder andere te danken aan zijn wetsvoorstel ANPR (Automatische kentekenplaatherkenning) en het doordrukken van de bewaarplicht voor telecomgegevens. Het eerste wetsvoorstel regelt het bewaren van kentekengegevens van gecontroleerde weggebruikers en het tweede voorstel verplicht telecomaanbieders om bel- en internetverkeer van klanten voor een bepaalde periode te bewaren zodat opsporingsdiensten deze eventueel kunnen raadplegen. Kenmerkend aan beide instrumenten is de gehanteerde sleepnetmethode.

De analogie met de uiterst efficiënte, maar zeer schadelijke vismethode is zondermeer treffend. Deze methode doet afbreuk aan datgene wat juist bescherming behoeft. De methode veronachtzaamd de ‘bijvangst’. Van onschuldige niets vermoedende burgers, een groep waar de overheid naar eigen zeggen niet op vist, worden ook allerlei gegevens verzameld en opgeslagen. De veelgehoorde tegenwerping dat het geen verschil maakt voor mensen die niets te verbergen hebben treft geen doel zoals ik in dit essay zal betogen. Ook zal ik aangeven waarom deze methode niet slechts de individuen zelf raakt, maar het ecosysteem van de democratische rechtsstaat als geheel.

Volgens de Duits-Amerikaanse filosofe Hannah Arendt omvat het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer naast een individuele aanspraak ook een maatschappelijke component. De persoonlijke levenssfeer is een sfeer van intimiteit volgens Arendt. Tot deze sfeer rekent zij het denken en handelen van het individu zelf (en tussen hem en ‘intimi’; tussen hem en vrienden) voor zover dat niet waargenomen wordt door derden. Zij stelt deze sfeer van intimiteit tegenover een sfeer van publiciteit, een sfeer waarin dingen waargenomen worden door derden. De persoonlijke of intieme levenssfeer stelt de burger in staat een zelfredzaam en zelfdenkend mens te zijn in plaats van een volgzaam schaap, in plaats van onderdeel te zijn van een school vissen. Slechts dan kan de burger zich zelfstandig een mening vormen over maatschappelijke en politieke vraagstukken (vrij van externe invloeden). Privacy begrijpt zij aldus als de bescherming van die persoonlijke levenssfeer tegen waarneming van elementen daarvan door derden, als bescherming tegen publiciteit. Privacy is volgens Arendt een onmisbare component voor een gezond publiek debat en daarmee ook voor een goed functionerende democratie.

Juist deze component wordt volgens de Duitse filosoof en socioloog Jürgen Habermas dikwijls over het hoofd gezien door liberaal-democraten. De liberaal-democraat ziet zich gesteld voor een dilemma waarbij hij een individueel recht (gedeeltelijk) moet opofferen voor een meer doelmatig of efficiënt beleid. In dit dilemma besteedt hij geen (of weinig) aandacht aan de persoonlijke levenssfeer als rechtstatelijke waarborg. En juist dat aspect is volgens Arendt van groot belang voor een gezond publiek debat en daarmee voor een goed functionerende democratie. De liberaal-democraat zal er in dit verband op wijzen dat het grondrecht van de burger niet geschonden wordt, maar slechts (marginaal) wordt ingeperkt ten behoeve van een prevalerend publiek of algemeen belang zoals in dit geval meer veiligheid. De bovengenoemde wetsvoorstellen zijn dan ook een uitstekend voorbeeld van deze liberaal-democratische blinde vlek.

Een terechte vraag die een liberaal-democraat zou kunnen stellen is wat deze component te maken heeft met het opslaan van gegevens over burgers, temeer waar het burgers betreft die ‘toch niets te verbergen hebben’. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ANPR benadrukt immers expliciet dat de opgeslagen gegevens slechts worden herleid tot individuen indien daar een ‘concrete, strafvorderlijk relevante aanleiding’ toe bestaat. Voor het overige wordt ‘slechts’ een foto en het kenteken opgeslagen. Het eenvoudige antwoord op deze vraag is dat het een kwestie van principe is. Grondrechten kunnen immers altijd door een eenvoudige meerderheid worden ingeperkt. Zoals een meerderheid van burgers die toch niets te verbergen hebben de privacy kunnen ‘inperken’ of uithollen, zo zou een meerderheid van atheïsten evengoed de vrijheid van godsdienst kunnen inperken of uithollen. Bovendien stuiten de voorstellen van Opstelten op bezwaren in de sfeer van rechtsbescherming. Zo berichtte RTL nieuws onlangs over (een nieuwe vorm van) kentekenfraude waarbij criminelen een kenteken kopiëren en aanbrengen op een voertuig van een gelijk model en kleur. Eventuele boetes komen dan voor rekening van het slachtoffer en zijn voor hem vrijwel niet weerlegbaar.

Indien op basis van een concreet voorstel tot inperking de afweging wordt gemaakt tussen dit meer efficiënte en doelmatige overheidsbeleid enerzijds en wat dit betekent voor de privacy van burgers anderzijds, staat steeds de wenselijkheid van eerstgenoemde centraal. Het komt dan steeds neer op een ‘marginale’ opoffering van een individueel recht ten behoeve van het publieke belang dat er maar genoeg ‘grote vissen’ gepakt worden. Daarbij besteedt men weinig aandacht aan de samenhang met overige privacy beperkende maatregelen. De overheid ziet, hoort en herinnert zich steeds meer en dicht zich in toenemende mate meer efficiënte en doelmatige instrumenten en bevoegdheden daarvoor toe. Vaak raken de gehanteerde methoden het privéleven van burgers (zie bijvoorbeeld NRC Handelsblad 25 november 2014 ‘Mag dat allemaal zomaar, zonder rechter?). Men lijkt te vergeten dat de optelsom van marginale inperkingen tezamen een significante schending van een grondrecht kan opleveren.

Arendt zou de vraag van de liberaal-democraat beantwoorden door te wijzen op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer als rechtstatelijke waarborg, als essentieel premisse voor een gezond publiek debat. Het gaat voor haar om de waarneming zelf, niet de wijze van (publieke) omgang met die waarneming. Doordat steeds een beetje van zijn privacy wordt ingeperkt zal de burger steeds meer nadruk leggen op zijn privébelangen en minder om publieke belangen. Het maakt de burger die toch niets te verbergen heeft kwetsbaar voor aan die inperking ten grondslag liggende technocratische, bureaucratische en populistische overwegingen. Zijn privébelang bij meer veiligheid (door de voorgestelde instrumenten) zal vanuit die gedachte spoedig prevaleren boven het maatschappelijke belang van een intiem leven voor de burger. Voorbeelden hiervan uit de geschiedenis zijn de maatschappelijke verhoudingen in (de aanloop van) de Tweede Wereldoorlog en nadien in de DDR. Wanneer de muren oren hebben, past een burger wel op wat hij zegt of denkt. Bovendien waren de Stasi archieven dusdanig nauwkeurig dat de daarin besloten liggende ‘materiële waarheid’ (zonder verdere opoffering van privacy) praktisch niet weerlegbaar was.

Volgens Arendt zijn deze maatregelen niet slechts een marginale inperking van een grondrecht, maar vanuit een rechtsstatelijk perspectief eveneens onderdeel van een significante schending van een grondrecht. Deze maatregelen doen afbreuk aan een rechtsstatelijke premisse.

Het feit dat de gegevens van en over burgers worden verzameld betekent nu eenmaal dat de privésfeer van die burger niet meer zo privé is als voorheen. Het betekent dat steeds meer intimiteit wordt opgeofferd voor meer publiciteit. Een voor de hand liggende tegenwerping van de liberaal-democraat is dat deze publiciteit zich doorgaans wel beperkt tot de overheid, dat de overheid de gegevens vertrouwelijk verwerkt, inzichtelijk maakt voor betrokkene en niet aan derden verstrekt. Daarin zou een democratische waarborg gelezen kunnen worden. Echter zal die waarborg zich beperken tot een versterking van het democratisch vertrouwen van de burger. Het blijft in die visie bij enkel vertrouwen, een vertrouwen dat geschonden kan worden. Diezelfde burger die niets te verbergen heeft kan altijd geconfronteerd worden met kafkaëske toestanden zoals kentekenfraude. Beperkingen van het recht op privacy zal de burger terughoudender maken in zijn autonome bekwaamheid in het publiek debat. Hij zal daarin meer zijn eigen belang centraal stellen en minder acht slaan op de gevolgen voor anderen. Indien privacy gelezen wordt als een positieve verplichting van de overheid tot geheimhouding, presenteert de overheid zich de facto als een soort Big Brother die per definitie tot de kring van intimi behoort. Orwell zat er kennelijk slechts een aantal jaar naast. De overheid presenteert zich zodoende als beschermheer voor burgers die niets te verbergen hebben tegen publiciteit van hun privéleven, doch op voorwaarde dat de burger daar inzicht in krijgt. Opstelten bewijst hiermee een terechte winnaar te zijn van de Big Brother award 2014. Zijn uiterst efficiënte maatregelen dreigen het ecosysteem van de democratische rechtsstaat te verwoesten.

Guido Siebel, masterstudent Filosofie & Nederlands recht, Rijksuniversiteit Groningen

{ 3 reacties… read them below or add one }

1 CR 26/01/2015 om 12:16

Ik leid uit dit stuk af dat de auteur privacy belangrijk vindt, maar heel veel verder kom ik niet.

2 PA 27/01/2015 om 17:12

@CR: Ik kwam ook niet verder dan dat, maar ik ging ervan uit dat het aan mij lag. “Volgens Arendt” is de Big Brother-award terecht gegeven, maar waarom is dat van belang? Mijn bakker vind het misschien onterecht. Een beetje flauwe vergelijking, maar enige verantwoording waaróm Arendt’s mening van belang is, was op zijn plaats geweest.

Of was dit misschien een poging om te laten zien hoe filosofische overwegingen in het recht toegepast kunnen worden? Gezien de studies van de schrijver van het stuk is dat een logische poging, maar het zou duidelijker zijn geweest als dat dan expliciet vermeld werd.

Ik wist niet wat ik met dit stuk aan moest, na het lezen bleef de gedachte “ja, en dus?” hangen. Maar misschien ben ik een uitzondering en was het voor andere lezers wel duidelijk.

3 YT 11/02/2015 om 11:36

@CR: Voor mij schuilt de kern van dit essay in de vergelijkingen die de auteur maakt met ‘1984’ van George Orwell en de naoorlogse toestanden in Duitsland. Oftewel: bescherming van de persoonlijke levenssfeer is belangrijk omdat onze democratie anders niet verschilt van een controlestaat.

@PA: “Volgens Arendt zijn deze maatregelen niet slechts een marginale inperking van een grondrecht, maar vanuit een rechtsstatelijk perspectief eveneens onderdeel van een significante schending van een grondrecht.” In dit citaat zou dan de relevantie van Arendt moeten schuilen, ofschoon ook ik benieuwd ben naar de manier waarop het grondrecht volgens Arendt wordt geschonden.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: