Promis revisited

door IvorenToga op 24/09/2013

in Rechtspraak, strafrecht

Post image for Promis revisited

In mijn augustuscolumn heb ik het probleem van het op juiste wijze vaststellen van feiten in vonnissen in strafzaken besproken. De conclusie luidde dat rechters en griffiers (te) veel moeite hebben met het onderscheid tussen enerzijds redengevende feiten en omstandigheden (namelijk datgene wat aan de bewezenverklaring ten grondslag moet liggen, kortweg rf&o) en anderzijds bewijsmiddelen (het “omhulsel” van de rf&o) en conclusies van rechters op basis van die f&o.

Daar komt bij dat je in je vonnis ook moet laten zien waar je die rf&o vandaan haalt. In het besproken systeem gebeurt dat door verwijzingen in voetnoten, net als in wetenschappelijke artikelen. Ook dat is echter niet zo simpel. Je moet behoorlijk precies zijn. Zo kun je niet volstaan met een algemene verwijzing naar, bijvoorbeeld, een getuigenverklaring. Je moet aanduiden uit welk onderdeel van die verklaring je het relevante feit put. Getuigenverklaringen – zeker als ze uitvoerig zijn – bevatten vaak tegenstrijdigheden. Het gevaar is levensgroot dat je die bij een te grove verwijzing veronachtzaamt. Dit maakt het voor een hof in hoger beroep ook lastig, zo niet onmogelijk, de feiten die de rechtbank heeft vastgesteld, te controleren en over te nemen. Het hof stelt ze maar liever zelf vast en doet alles over. Zonde van onze kostbare rechterstijd!

Moeten we dan maar van Promis afstappen en terugkeren naar de verkorte vonnissen en aanvullingen waarin de bewijsmiddelen zijn vervat? Ja en nee, is het misschien wat cryptische antwoord.
Nee, omdat we graag vasthouden aan de verbeterde motivering van onze beslissingen. Zo leggen we tegenwoordig ook uit waarom we iemand vrijspreken. Vroeger werd dat vaak met een formele riedel afgedaan (“De rechtbank acht het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen”). Nee ook, omdat we de bewijsmiddelen in de vonnissen willen blijven verwerken. Dat is niet alleen duidelijker, maar het voorkomt tevens dat, als hoger beroep wordt ingesteld en de bewijsmiddelen dus moeten worden uitgewerkt, de griffier lange tijd na het uitspreken van het vonnis nog eens de aanvulling met de bewijsmiddelen moet maken. Iedereen is de zaak dan allang vergeten en het is een hoogst inefficiënte werkwijze.

Ja, wel (een beetje) terug naar het oude systeem, omdat we qua vorm meer bij het verkorte vonnis kunnen aansluiten, en wel bij de wijze waarop de aanvulling daarop altijd werd gemaakt. Dat doen we, doordat we de bewijsmiddelen met de rf&o op dezelfde manier als in die aanvulling in het vonnis opnemen. Je slaat dan diverse vliegen in één klap: de bewijsmiddelen zitten in het vonnis, verwijzingen in voetnoten zijn niet meer nodig en de bewijsmiddelen zijn voor de hoven makkelijker te controleren (en bij “goedbevinden” over te nemen).

Dan zijn we er echter nog niet, want we willen ook een leesbaar vonnis hebben. Een vonnis met daarin een – in sommige zaken ellenlange – lijst met bewijsmiddelen is dat niet. Die hobbel kunnen we nemen door de bewijsmiddelen als bijlage aan het vonnis te hechten en daarnaar bij de bewezenverklaring te verwijzen. Dat wordt dan bijlage II, want bijlage I is de volledige tenlastelegging. Ook die is vaak onleesbaar en soms oeverloos lang en kan in de tekst zelf beter kort worden samengevat. (Bij het publiceren van het vonnis moet dan wel ervoor worden gezorgd dat beide bijlagen worden meegenomen. Dat gaat geregeld fout!)

Wat krijgen we zo? Op de tot leesbare proporties teruggebrachte samenvatting van de tenlastelegging volgt niet meer een vaststelling van feiten met verwijzingen in voetnoten, maar een inleiding. Daarin wordt de kern van de zaak uiteengezet en wordt aan het eind de discussiepunten weergegeven. Die inleiding lijkt op de vaststelling van feiten, zoals eerder besproken. Zij kan echter ruimer en vrijer zijn. Zo kan zij al bepaalde bewijsmiddelen aanduiden en hoeft zij geen verwijzingen in voetnoten te bevatten. Je hoeft je in de inleiding dus niet zoveel zorgen te maken over welke feiten en welke niet vaststaan. De weergave van de discussiepunten aan het eind vloeit over in de uiteenzetting van de standpunten van “partijen”: de officier van justitie en de verdediging.

En dan komt de beoordeling door de rechtbank, met een bespreking van en een conclusie naar aanleiding van de standpunten. De conclusie is in feite de bewezenverklaring, voor de onderbouwing waarvan wordt verwezen naar bijlage II: de weergave van de bewijsmiddelen met daarin de redengevende feiten en omstandigheden. Die bijlage kan intussen nog een andere functie vervullen. Als de combinatie die de zaak behandelt, alles goed organiseert, zorgt zij ervoor dat de bewijsmiddelen al vóór de zitting op een rijtje staan. Dat levert niet alleen een middel op om door middel van vragen ter zitting eventuele gaten te vullen, maar ook een kapstok voor het overleg in raadkamer na afloop. En de griffier hoeft de bewijsmiddelen niet meer met het oog op het vonnis bij elkaar te rapen in de twee krappe weken die hij na de zitting heeft om het vonnis te maken.

Met deze werkwijze wordt nu geëxperimenteerd. We zullen zien!

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter Rechtbank Amsterdam

Deze post is onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: