Publius Clodius Pulcher. Een aristocratische volkstribuun en bad boy (deel 2/3)

door Ingezonden op 22/12/2011

in Varia

Post image for Publius Clodius Pulcher. Een aristocratische volkstribuun en bad boy (deel 2/3)

3. Ontstaan van het tribunaat en bevoegdheden van de volkstribuun

Volgens de traditie is het tribunaat ontstaan in 494 voor Christus. Eerlijk gezegd is de precieze toedracht daarvan gehuld in de nevelen der geschiedenis. Onze vroegste bronnen op dit punt zijn Livius en Dionysius van Halicarnassus, historici die in de eerste eeuw voor en de eerste eeuw na Christus schreven. Volgens Livius is het tribunaat ontstaan door de klassenstrijd tussen de patriciërs en de plebejers, dus tussen de oorspronkelijke adel van Rome en het gewone volk. Rond 500 voor Christus hadden vele plebejers grote schulden. Uiteindelijk kon dit zelfs tot schuldslavernij leiden. Het gewone volk eiste hervormingen en toen die niet toegezegd werden, ontstonden er relletjes en opstootjes. Een van de consuls, een verre voorvader van Clodius genaamd Appius Claudius, wilde de relschoppers hard aanpakken. Geweld is het enige wat het plebs begrijpt, was zijn motto. De andere consul, Servilius, stelde echter voor de plebejers tegemoet te komen. Uiteindelijk werden toezeggingen gedaan, maar deze werden niet nagekomen. Daarop trok het gewone volk zich terug op een berg buiten Rome, de stad onverdedigd achterlatend. Onder deze druk moesten de patriciërs toegeven. Een van de rechten die het volk afdwong, was dat het eigen magistraten mocht kiezen. Dat waren de volkstribunen.

De tribunen (aanvankelijk twee, uiteindelijk tien in aantal) werden gekozen door het concilium plebis, de volksvergadering waar alleen plebejers mochten stemmen. Alleen plebejers konden ook tribuun worden. Aanvankelijk waren de volkstribunen uitsluitend voorname figuren van buiten de aristocratie. Het volkstribunaat was destijds het enige ambt dat door een plebejer kon worden bekleed. De overige ambten waren gemonopoliseerd door de patriciërs. De monopoliepositie van de patriciërs werd echter aangevochten door de plebejers, onder aanvoering van hun volkstribunen, en geleidelijk aan werden ook de andere ambten, zoals het praetorschap en het consulaat, voor plebejers opengesteld. Er werd zelfs wetgeving ingevoerd die we als een vorm van ‘positieve actie’ kunnen beschouwen. Op grond van wetgeving uit 367 en 342 voor Christus gold namelijk dat beide consuls plebejer konden zijn en dat één van beide consuls een plebejer moest zijn.

Plebejers konden voortaan dus een volwaardige politieke carrière doorlopen. Het volkstribunaat was voor hen niet langer het eindstation van een politieke loopbaan, maar juist vaak een springplank naar andere ambten. Het gevolg van deze ontwikkeling was dat de Romeinse adel (nobilitas) in circa twee eeuwen van karakter veranderde. Een uitsluitend patricische aristocratie werd geleidelijk vervangen door een adel met een gemengd patricisch-plebejisch karakter. Niettemin bleef het tribunaat alleen toegankelijk voor plebejers. Dit verklaart waarom Clodius naar die klasse over moest gaan als hij volkstribuun wilde worden. Maar waarom wilde hij dat? Daarvoor moeten we naar de bevoegdheden van een volkstribuun kijken.

De oorspronkelijk functie van de tribunen was het beschermen van het volk tegen de patricische magistraten. Om dat mogelijk te maken werden de tribunen fysiek onschendbaar (sacrosanctus) verklaard. Als een magistraat bijvoorbeeld een lid van het plebs wilde geselen, dan kon de hulp (auxilium) van een volkstribuun ingeroepen worden, die de burger dan fysiek kon beschermen. Omdat de tribuun onschendbaar was, kon de magistraat niet verder gaan met de geseling. In veel gevallen hoefde de volkstribuun overigens geen fysieke bescherming te bieden: hij kon eenvoudigweg handelingen van andere magistraten, besluiten van de Senaat en zelfs stemmingen in de volksvergadering verbieden door een veto uit te spreken. Het vetorecht was een van de belangrijkste bevoegdheden waarover een volkstribuun beschikte. Het negeren van zijn rechten en bevoegdheden werd bestraft met vogelvrijverklaring en verbeurdverklaring van het bezit van de overtreder.

Uit de fysieke onschendbaarheid van de tribuun vloeide ook een aantal andere bevoegdheden voort. Zo kon hij bijvoorbeeld magistraten arresteren en in de gevangenis laten gooien. Dit gebeurde niet vaak, maar een beroemd voorbeeld vond plaats in 60 voor Christus. Metellus Celer, de man van Clodia, Clodius’ zus, was toen één van de consuls. Zijn politieke vijand Pompeius wilde een wet laten goedkeuren die land voor de veteranen van zijn legioenen zou regelen. Dit stuitte op hevig verzet van Metellus en anderen. Een cliënt van Pompeius, de volkstribuun Lucius Flavius, liet Metellus daarop opsluiten, om te voorkomen dat hij verder nog zijn invloed kon aanwenden om de wet tegen te houden. Metellus gaf zich echter niet zo makkelijk gewonnen en riep de Senaat bijeen in de gevangenis. Flavius nam toen op zijn beurt plaats op een bank die hij voor de ingang van de gevangenis had gezet. Omdat de volkstribuun onschendbaar is, konden de senatoren hem niet verwijderen om zich toegang te verschaffen. Daarop liet Metellus een gat slaan in de muur aan de zijkant van de gevangenis, zodat hij via dat gat met de andere senatoren kon overleggen. Op deze tactische meesterzet had Flavius geen antwoord.

Ten slotte kon een volkstribuun wetsvoorstellen aanhangig maken bij de volksvergadering. Een aantal andere magistraten kon dat ook, maar niettemin lijken volkstribunen vaker betrokken te zijn bij grote wetgevingsoperaties en hervormingen. Clodius heeft zich in elk geval op dit vlak actief betoond.

4. Verdere ontwikkeling van het tribunaat

Het volkstribunaat heeft in de loop der eeuwen de nodige veranderingen ondergaan. Volkstribunen waren er in de Late Republiek in soorten en maten. Voor veel jongemannen van adellijke komaf was het tribunaat een normale (niet-verplichte) stap in de cursus honorum, de keten van ambten die achtereenvolgens bekleed werden. Het moge duidelijk zijn dat van zulke adellijke volkstribunen lang niet altijd revolutionaire voorstellen verwacht hoefden te worden. Sterker nog, zij konden prima ingezet worden om ontwerpen van meer progressieve collega’s met een veto te treffen. Een volkstribuun kon immers in principe zijn recht van veto gebruiken tegen een besluit van iedere andere magistraat. Dus ook tegen besluiten van andere volkstribunen. Samenvattend kunnen we stellen dat in de Midden (287-133 voor Christus) en Late Republiek (133-27 voor Christus) het college van 10 volkstribunen een heterogeen karakter had: je vond er hervormers, carrièrejagers en stromannen van de conservatieve adel. Eén ding hadden alle volkstribunen, en meer in het algemeen alle Romeinse politici, echter gemeen: zij oefenden hun ambt in elk geval óók uit om hun eigen positie in het Romeinse politieke landschap te versterken.

Een belangrijke ontwikkeling in het volkstribunaat vond plaats in 133 voor Christus. De volkstribuun Tiberius Gracchus, zelf afkomstig uit een adellijke familie, ontpopte zich tot een vooraanstaand hervormer. In zijn tijd heerste Rome al ruim anderhalve eeuw over heel Italië. Veel Italiaans land was formeel Romeins grondgebied, maar het was nooit eerlijk verdeeld onder de Romeinse burgers. Gracchus vatte nu het plan op dit land te hervedelen onder arme, bezitloze Romeinen. Het plan riep echter grote weerstand op onder de conservatieve adel en Gracchus’ voorstel voor een lex Sempronia agraria werd door zijn collega-volkstribuun Marcus Octavius met een veto getroffen. Die demonstreerde daarmee de meest effectieve manier om een volkstribuun uit te schakelen: door middel van een andere volkstribuun. Gracchus deed nu iets buitengewoons: hij stelde de volksvergadering voor de dwarsligger Octavius uit zijn ambt te zetten. Klaarblijkelijk heeft Octavius niet gepoogd ook dit voorstel te blokkeren met een veto: het volk stemde en Octavius werd afgezet.

Nog steeds kan men met recht de vraag stellen of het optreden van Gracchus tegen een onschendbare collega-volkstribuun wel legaal was. Gracchus verdedigde zich met het argument dat het volk soeverein is en personen die het met een ambt heeft bekleed dat ambt ook weer kan ontnemen, zeker wanneer die personen dat ambt misbruiken tegen de belangen van het volk in, bijvoorbeeld door onredelijk gebruik van het vetorecht. Hoe dit ook zij, het optreden van Gracchus sterkte latere volkstribunen in hun overtuiging dat het soevereine Romeinse volk in principe ieder gewenst besluit kon nemen. En dat bij eenvoudige meerderheid, want een geschreven Grondwet die moeilijker te wijzigen was dan een gewone wet kende het Republikeinse Rome niet.

Steeds vaker begonnen magistraten in de Late Republiek – niet alleen volkstribunen – in het wetgevingsproces de Senaat over te slaan. Anders dan moderne Senaten had de Romeinse Senaat in dat proces geen wetgevende rol. De Senaat was een beleids- en adviescollege, waarvan de meeste leden oud-magistraten waren. Een benoeming in de Senaat – van verkiezingen was geen sprake – gold in principe voor het leven. Senatoren gaven desgevraagd advies over wetsvoorstellen voordat deze naar de volksvergadering gingen en hun oordeel woog lange tijd zeer zwaar. In de laatste honderd jaar van de Republiek bleken magistraten echter steeds vaker bereid negatieve adviezen van de Senaat te negeren en zelfs om dit Hoge College van Staat geheel over te slaan. Inconstitutioneel was dit niet – je kunt het niet vergelijken met het overslaan van de Afdeling advisering van de Raad van State in het Nederlandse wetgevingsproces – maar het was wel een duidelijke breuk met de traditie.

De volksvergadering werd in de Late Republiek ook steeds meer tot een alternatieve Senaat omgevormd. Zij nam steeds vaker beslissingen die voorheen tot het terrein van de Senaat behoorden, zoals het aanstellen van legeraanvoerders voor buitenlandse expedities. Waar de volksvergadering voorheen vooral algemeen verbindende voorschriften vaststelde, ging zij nu over tot het uitvaardigen van beschikkingen in wetsvorm (vergelijk dit met het bij wet benoemen van een Koning als bedoeld in artikel 30 van de Grondwet). Dat dergelijke acties kwaad bloed konden zetten, blijkt wel uit de casus van de bekende dictator Sulla (138-78 voor Christus). De Senaat kende hem het commando toe in een potentieel lucratieve oorlog, maar op voorstel van een volkstribuun kende de volksvergadering het bevel toe aan Sulla’s politieke rivaal Gaius Marius. Sulla zou dit verraad nooit vergeten, want toen hij enkele jaren later aan de macht kwam, maakte hij het volkstribunaat kreupel. Volkstribunen mochten voortaan geen wetsvoorstellen meer indienen en ook geen hogere ambten meer bekleden. Daardoor werd het ambt van volkstribuun zeer onaantrekkelijk. Na Sulla’s dood werden deze hervormingen overigens weer vrij snel ongedaan gemaakt.

Het voorgaande maakt duidelijk dat volkstribunen en de volksvergadering in de Late Republiek gezamenlijk grote macht konden uitoefenen. Doordat een ambitieuze volkstribuun aan een gewone meerderheid voldoende had om iedere denkbare maatregel aangenomen te krijgen, deed hij doorgaans veel moeite zoveel mogelijk aanhangers naar de plaats van de volksvergadering – meestal op het Forum Romanum – te krijgen. Politieke tegenstanders zorgden er dan wel voor dat zij hun ‘eigen’ volkstribunen dezelfde kant op stuurden om eventueel een veto uit te spreken, en tevens dat onder het stemgerechtigde volk ook zoveel mogelijk tegenstanders gemobiliseerd werden. In de sterk gepolariseerde samenleving van de Late Romeinse Republiek kon politiek geweld dan ook niet uitblijven. Hoewel het vaak bij duw- en trekwerk bleef, vielen er ook steeds vaker doden en gewonden. In dit potentieel gewelddadige klimaat moeten we het begin van Clodius’ politieke carrière als volkstribuun plaatsen.

Laurens Dragstra en Taco Groenewegen

Deze bijdrage in drie delen is een enigszins bewerkte versie van een artikel dat eerder verscheen in het decembernummer van Ars Aequi

 

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: